Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gepleegd, en gericht is niet juist tegen het goed zelf maar tegen het beslag, welke omstandigheid liet maakt tot liet speciale misdrijf waarop krachtens het tweede lid van art. 55 de zwaardere straf van art. 198 moet worden toegepast.

4. Onttrekken, zie aanteekening 7 op art. 189; verbergen, zie aanteekening 2 aldaar: verbergen, onbruikbaar maken, aanteekening 3 op ait. 159; vernielen, beschadigen, aanteekening ;"> op art. 101.

i). Met zwaardere straf wordt gestraft de bewaarder van hot in beslag genomene of geseqnestreerde goed (art. 1732 Burgerlijk wetboek) niet alleen wanneer hij opzettelijk een der in het eerste en het tweede lid genoemde feiten pleegt, of zich daaraan medeplichtig maakt zoo een ander het ploegt, maar ook wanneer hij het toelaat. De bijzondere betrekking van den bewaarder tot het onder zijn opzicht gestelde goed brengt dus nevens de strafverzwaring wegens daderschap mede eene bijzondere medeplichtigheid, en gelijkstelling daarmede van zoogenaamde passieve medeplichtigheid die do wetgever in het algemeen niet heeft erkend 1).

\oor het opzettelijk toelaten is noodig de wetenschap dat er aan het krachtens de wet gelegde beslag of de gerechtelijke seqnestratie goed wordt onttrokken of dat dit vernield, beschadigd of onbniikliaar gemaakt wordt, en mogelijkheid om dit te beletten.

C. De bewaarder is strafbaar indien hij opzettelijk begaat, of toelaat of dooi' onachtzaamheid mogelijk maakt dat een ander pleegt een der genoemde feiten.

De vraag heeft zich voorgedaan of voor liet laatste noodig is dat do onttrekking, de verberging, de vernieling, onbruikliaarmaking, beschadiging, met opzet gepleegd is. Zij is terecht in ontkennende» zin beantwoord -).

De wet spreekt toch alleen van feiten, niet van strafbare feilen, en waar zij dit doet heeft men, tenzij het redeverband liet tegendeel bepaald noodzakelijk maakt, te doen met de materieele feiten (zie aanteekening 2 op art. 08). Dat hier het enkele feit bedoeld is blijkt

J) Sniidt 1, eerste druk 385, tweede druk 413.

2) Hooge Raad 20 Januari 1902, Wbl. 7710, P. v. J. 1902, no. 128; Gerechtshof Amsterdam 10 April 1893, Wbl. 0358, en 1 Noveml>er 1893, Wbl. 0441; Rechtbank 's Hertogcnliosch 23 December 1880, Tijdschrift voor strafrecht I, bladz. r.00. Vgl. D. S. in P. v. J. 1893, no. en 98.

lu het wijzigingsontwerp van den Minister (lort van der Linden (190O) is het artikel in gelijken zin gewijzigd.

Sluiten