Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De algemeene termen waarin de bepaling is vervat sluiten dus niet uit hare toepasselijkheid op personen die geene verplichting ten aanzien der militie of der schutterij te vervullen hebben. I)e dienst bij de militie of de schutterij is toch niet het vervullen van militie- of schutters-plichten maar het dienst doen bij militie of schutterij.

Ieder die in de termen valt om desverkiezende vrijwilliger te worden kan dus door verminking ongeschikt worden gemaakt voor den dienst, onverschillig of hij dienst te doen heeft of niet, of hij vrijwilliger wordt of in het geheel niet in dienst treedt. Men heeft vermoedelijk alleen bedoeld dienstplichtigen, tegenwoordige of toekomstige.

Nu is wel enkel strafbaar het opzettelijk ongeschikt maken voor den dienst, d. i. met het oog op den dienst, doch ook dit kan voorkomen bij iemand die niet dienstplichtig is. Stel dat een vader vrijwillige dienstneming van zijnen zoon verlangt, en deze om voor goed de vervulling van dat verlangen onmogelijk te maken zich verminkt, dan maakt hij zich toch zeker opzettelijk voor den dienst ongeschikt; hij zal echter niet vervolgd behooren te worden.

2. Bij art. 134 der militiewet, zooals die gewijzigd is door de wet van 24 Juni 1901, Stbl. 159, wordt onderscheid gemaakt tussehen hen die bij de landweer overgaan en hen die een bewijs van ontslag uit de militie krijgen. Daaruit volgt dat de landweer geacht moet worden een deel der militie uit te maken, zoodat ook het zich ongeschikt maken of laten maken en een ander ongeschikt maken voor den dienst bij de landweer onder de strafbepaling valt.

3. Strafbaar gesteld wordt in de eerste plaats hij die zich ongeschikt maakt of laat maken, d. i. het ongeschikt maken provoceert of toelaat.

Bij het provoceeren is volgens no. 2 strafbaar degene die ongeschikt maakt, hij handelt immers op verzoek.

Bij het toelaten op zich zelf ontbreekt het verzoek, en is dus volgens de Memorie van toelichting de verminker strafbaar wegens mishandeling, immers „de bijvoeging op diens verzoek sluit de gewone mishandeling uit''.

Ten overvloede wordt hier bevestigd dat mishandeling op eigen verzoek strafbaar is, en de regel volenti non fit injuria als algemeene rechtsregel in strafzaken door de wet niet wordt erkend.

Het ongeschikt maken zal echter veelal door middel van verminking gedaan worden, die zwaar lichamelijk letsel oplevert. Daarop is geene verzwaring van straf gesteld; alleen wanneer de dood het gevolg is wordt volgens het laatste lid de straf verhoogd tot zes jaren. Deze slotbepaling nu sluit volgens de Memorie van toelichting weder uit den concursus realis met het misdrijf van art. 302, tweede lid. Uit de

Sluiten