Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van vrees, winzucht, misplaatst medelijden of wat dan ook het motief voor liet afleggen van de valsche verklaring geweest mag zijn; maar het koiut mij vóór dat daarin meermalen do grens van het geoorloofde wordt overschreden.

Zoo is beslist dat de intrekking van de afgelegde verklaring de voltooiing van het misdrijf voorkomt, ook al is die eerst gevolgd op eene vordering tot rechtsingang mot of zonder bevel van aanhouding, art. 171 Wetboek van strafvordering l), dat eene heropening van liet onderzoek alsnog gelegenheid geeft tot intrekking, met dat gevolg dat er dan geen misdrijf is gepleegd -).

Dit gaat te ver. Eensdeels stelt men zich daarbij opeen onjuist standpunt door gewicht te hechten aan het nadeel dat de verklaring feitelijk heeft gedaan of kan gedaan hebben; zóo do Hooge Raad in het arrest van 1896, oordeelende dat de mogelijkheid dat de rechter op de eerste verklaring recht had kunnen doen niet afdoet tot de werkelijkheid dat hij op die verklaring geen recht heeft gedaan. De Hooge Raad zelf had immers uitgemaakt dat er niet gevorderd wordt dat op de valsche verklaring recht wordt gedaan, zelfs recht gedaan had kunnen worden 3); hoe kan hij zich dan nu beroepen op het feit dat er geen recht op gedaan is?

Anderdeels is hier een gemis van onderscheiding tusschen voltooiing van het misdrijf en het wegnemen van de gevolgen. het werkdadig berouw 1).

Men heeft te vragen of het afleggen der getuigenis goed en wei geconstateerd is; of later nog eens in dezelfde /.aak eene verklaring gevorderd zal worden is eene vraag welker beantwoording geheel buiten den getuige omgaat en geenen invloed kan hebben op de beslissing of er misdrijf is gepleegd.

Neemt men het tegendeel aan dan zou bijv. ziekte van den getuige, waardoor hij belet wordt in eene nadere terechtzitting te verschijnen en zijne verklaring te herroepen hein tot meineedigo maken. Of zal ïnen in dat geval een beroep op overmacht toelaten?

') Hooge Kaad 17 Juni 1889, Wbl. 5742, 1'. v. J. 188», no. 80. -) Gerechtshof 's Hertogenboseh 25 September 181M5, Wbl. 1)817, cassatie verworpen bij arrest van den Hoogcn Kaad van 1!) Oetober 1890, Wbl. 0872, 1. v. J. 18%, 110. 87; Hoog Militair Gerechtshof 14 September 1875, Rechtsgeleerd bijblad 187ti, C blad/,. 148. s) Arresten van <J Mei 1887, Wbl. 5432, en 17 Oetober 1887, Wbl. 5487. 4) Conclusie van den Advocaat generaal Patijn voor het aangehaalde arrest van 18811. Zie ook L. J. M. Basquin, Voltooiing van valsch getuigenis en uitlokking van meineed, academisch proefschrift, Amsterdam 1890, bladz. 10 en volg., waar de (juaestie uitvoerig behandeld wordt.

Sluiten