Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den vervalscher gedaan en is er van toepassing van art. 2(10 in liet geheel geene sprake.

Bij arrest van IS Mei 19031) heeft de Hooge Raad zijne vroegere meening prijsgegeven en in den geest van het bovenstaande lieslist.

Praktisch is de quaestie trouwens alleen van beteekenis wanneer wel de uitgifte met wetenschap van den namaak maar niet de namaak zelf aan den beklaagde bewezen kan worden; dan is er straffeloosheid; is de namaak zelf bewezen dan kan immers maar éene strafbepaling worden toegepast.

3. .Moet onder bekendheid met valsehheid of vervalsching verstaan worden bekendheid met het feit dat aan de munt een misdrijf gepleegd is, m. a. w. ook dat hij die namaakte of vervalsehte het oogmerk tot uitgifte heeft gehad? Do vraag moet ontkennend beantwoord worden. Naar de terminologie der wet is iets valsch of vervalscht onafhankelijk van eenig oogmerk, zie aanteekening 0 op art. 207, en liet misdrijf van art. 208 bestaat dan ook in liet feit van namaak rif vervalsching met het bepaalde oogmerk: bekendheid met valsehheid of vervalsching is dus slechts bekendheid met het materieele element van het misdrijf van muntvervalsching. En niet alleen bekendheid is dus niet noodig, het strafbare oogmerk behoeft bij den namaker of vervalscher niet eens te hebben bestaan: of de munt ten gevolge van misdrijf is ontstaan, is geheel onverschillig.

4. "Voor de strafbare uitgifte wordt opzet gevorderd. De oorspronkelijke lezing van het artikel gaf gereede aanleiding tot do opvatting dat ivik het bij ongeluk of vergissing uitgeven van munt, waarvan de valsehheid of vervalsching bekend was, straffeloos zou zijn. Zoover mocht naar de meening der Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer (verslag over art. 213) niet gegaan worden.

• >. De uitdrukking „in voorraad hebben" schijnt min gelukkig gekozen, als slechts aanwijzende eene handeling betrelfende een meervoud van objecten; beter is in dit opzicht art. 211 geredigeerd dat spreekt van voorhanden hebben en dus ook op êen voorwerp kan worden toegepast.

0. Voor do bijkomende straf zie art. 215.

') Wlil. 7020, P. v. J. 1003, ni). 27.".; vgl. Whl. 7002.

In het wijziging»uitwerp van den Minister l'ort van der Linden (1900) wordt

de leemte voorzien.

Sluiten