Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als echt en onvervalscht te gebruiken of' door anderen te doen gebruiken, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, als schuldig aan valschheid in geschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valsche of vervalschte geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

1. Terwijl de twaalfde titel blijkens zijn opschrift handelt over valschheid in geschriften, waaronder valschheden in allerlei in de bijzondere artikelen onderling onderscheidene schrifturen worden ver staan, is voor het bijzondere misdrijf van dit artikel de naam „valschheid in geschrift" gekozen, waaronder het van de overige onderscheiden wordt. Het geschrift in engeren zin is dan het geschrift dat aan de hij art. 225 gestelde vereischten voldoet.

Geschrift kan overigens evenals in art. 113, 119, 131, in zijne meest uitgebreide beteekenis genomen worden.

Zie aanteekening 5 op art. 113 en G op art. 1311).

2. Niet elk geschrift kan op strafbare wijze vervalscht worden; de wet noemt geschriften niet tweeërlei rechtsgevolg, in de eerste plaats die waaruit eenig recht, eenige verbintenis of eenige bevrijding van schuld kan ontstaan. De woordenkeus wijst er aanstonds op, en in de Memorie van toelichting wordt het bevestigd, dat hier slechts van geschriften sprake is waaraan rechtskracht kan worden toegekend -'). Uit de woorden verbintenis en bevrijding vloeit dit voort, die woorden zijn rechtstermen met eene zeer bepaalde beteekenis. Ook het woord recht dient in dezen geest te worden opgevat met dien verstande dat het beteekent een recht dat men volgens de wet kan doen gelden, met uitsluiting van alle ruimere beteekenis als aanspraak en dergelijke, waarin het in het dagelijksch leven ook voorkomt 3).

3. Nevens het bovenvermelde geschrift, dat naar luid der Memorie van toelichting onmiddellijk bron van rechten kan zijn, noemt de wet dat hetwelk bestemd is om tot bewijs van eenig feit te dienen.

!) Vgl. ook Smidt II, eerste druk 257 en 258, tweede druk 201 en 202.

2) Kr moet dan ook, indien het geschrift eene bevrijding van schuld inhoudt, van het bestaan dier schuld blijken. Rechtbank Arnhem 0 Mei 1902, Wbl. 7778, P. v. J. 1902, no. 177.

3) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 3.

20*

Sluiten