Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen plegen en uitlokken. Bij authentieke aeten moet toch onderscheiden worden naar de positie die de ambtenaar tegenover de acte en haren inhoud inneemt. Alleen wanneer de ambtenaar optreedt relateerende wat door hem verricht of waargenomen is kan hij zich aan valschheid schuldig maken door onjuist weergeven daarvan. Maar wordt naar waarheid gerelateerd dat verschijnende partijen den ambtenaar iets hebben opgegeven, dan kan de onwaarheid van den inhoud der opgaven nimmer den ambtenaar worden geïmputeerd zelfs niet al is hij zich er van bewust geweest, maar zij komt ten laste van hen die de onware opgaven hebben gedaan (art. 227)1).

Xu kan zich het geval voordoen dat iemand een geschrift met onwaren inhoud vervaardigt, dat zijne bewijskracht ontleenen zal aan de onderteekening van een ander en die onderteekening verkrijgt. Wanneer de onderteekenaar in den waan verkeert dat hij eene ware verklaring met zijne naamteekening bekrachtigt zal hij die de onderteekening verkrijgt de valschheid hebben doen plegen en dus als dader verantwoordelijk zijn -'). De onderteekenaar van zulk een geschrift heeft de geteekende verklaring willen geven al is hij ook misleid omtrent hare waarheid en al zou hij ze zonder die misleiding niet gegeven hebben.

Anders is het wanneer de verklaring van dien aard is dat de onderteekenaar volkomen bevoegd was ze te doen ook tegen de waarheid m of wanneer hij zich bijv. verbindt tot iets waartoe hij zich mocht verbinden, terwijl alleen nalatigheid in het lezen van hetgeen onderteekend werd oorzaak van de verbintenis of de verklaring is geworden; bijv. iemand geeft quittantie voor een hooger bedrag dan hij ontvangen heeft, of hij geeft eene machtiging die hij geven mocht maar die hij niet zou gegeven hebben indien hij het onderteekende stuk gelezen had. Het laatste is door den Hoogen Raad als eene valschheid be-

1) Vgl. Hooge Raad 11 April 1899, Wbl. 7208, P. v. J. 1899 no 33 met 19 Maart 1888, Wbl. 5533, P. v. J. 1888, no. 41. In eenstgeraéld arresl is met geheel duidelijk deze overweging: „dat toch onder deze volgens de feitelijke beslissing vaststaande omstandigheden door den notaris zeiven in de acte werd opgenomen een opgaaf omtrent den prijs voor het verkochte goed, van welker strijd met de waarheid hij ten volle bewust was." Uit deze woorden laat zich lezen dat de notaris eene onware, maar hem door partijen gedane opgave met bewustheid van de onwaarheid heeft opgenomen; maar dan is de notaris juist niet schuldig aan valschheid. De beteekenis moet zijn dat de notaris in de acte heeft vermeld het doen van een opgave, wetende dat zij hem niet gedaan was.

2) Vgl. Hooge Raad 8 Juni 1891, Wbl. 6061, P. v. J. 1891, no. 93; zie Tijdschrift voor strafrecht V, bladz. 508, no. 41.

Sluiten