Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schouwd i), doch terecht is die beslissing bestreden op grond dat aan het stuk niets valsc-h is. De inhoud is op zich zelf zonder waarde; de waarde wordt verkregen door de handteekening en door deze doet de onderteekenaar in werkelijkheid wat hij in het stuk gezegd wordt te doen 2).

Eene kwijting tot een hooger bedrag dan ontvangen is kan op zich zelve ook niet als valsch beschouwd worden omdat zij door de onderteekening inderdaad gegeven is en de crediteur feitelijk niet anders gedaan heeft dan wat hij doen mocht indien het hem lustte dat te doen; het is onverschillig of hij den schuldenaar door het geven van kwijting of op andere wijze van zijne verplichting ontheft, en zijne dwaling omtrent hetgeen hij deed neemt niet weg dat hij het gedaan heeft. Wanneer echter de onderteekenaar niet een eigen recht prijs geeft maar bijv. verklaart iets ontvangen te hebben dat hij niet ontvangen heeft en dat hem in werkelijkheid niet verschuldigd was, eene verklaring afgeeft waartoe hij het recht niet had, eene verklaring alzoo die uitsluitend bestemd is om tegenover anderen te werken, dan doet degene die de onderteekening verkrijgt eene intellectueele valschheid plegen 3).

8. Met het hierboven bedoelde doen onderteekenen van een geschrift hetwelk de onderteekenaar bij eene juiste kennis van zaken niet met zijne handteekening zou hebben willen bekrachtigen mag niet gelijk gesteld worden het zoogenaamde abus d'un blanc-seign dat naar den Code pénal onderscheidenlijk gestraft werd als oplichting of als valschheid naai' gelang de handteekening in blanco aan hem die er misbruik van maakte was toevertrouwd of niet.

Het misbruik van de handteekening onderstelt eene bovenschrijving van andere strekking dan waartoe bevoegdheid verleend was en met de bedoeling van den steller der handteekening overeenkomt, en is in zooverre reeds eene valschheid (zie den aanhef van aanteekening 7);

!) Arrest van 10 Mei 1875, Wbl. 3844. a) SiiiKins t. a. p. Iilz. 164.

3) ^ g'- Simons t. a. p. blz. 100. Het daar gestelde voorbeeld komt mij echter minder juist gekozen vóór. De handeling van den crediteur die voor een te hoog bedrag kwijting geeft is immers ook eene geoorloofde waardoor alleen eigen recht prijsgegeven wordt, al heeft hij die de kwijting verkreeg ook het oogmerk om ze tegenover eenen derde te gebruiken als bewijsstuk. De valschheid berust toch niet op het beoogde gebruik maar op den inhoud van het stuk, dat in casu eene werkelijke kwijting is. De strafbaarheid der valschheid moet daarom ra. i. in gevallen als de hier besprokene beperkt worden tot verklaringen omtrent voldoening van eene niet bestaande schuld.

Sluiten