Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het geldt hier eene handeling die niet door den steller der handteekening noch op diens last of met zijne voorkennis en goedkeuring verricht is. Het bovengeschrevene is dus een door intellectueele valschheid tot stand gekomen stuk dat den schijn heeft van door dc onderteekening bekrachtigd te zijn.

De daarin opgeslotene handeling is door onzen wetgever daarom beschouwd als een vorm van intellectueele valschheid, en dat wel altijd, onverschillig of de handteekening toevertrouwd is of niet1).

9. Strafbaar is de dader van eene valschheid eerst wanneer hij bij zijne handeling het oog heeft op een bepaald gebruik van het stuk, het oogmerk heeft om het als echt en onvervalscht te gebruiken of door een ander te doen gebruiken. Het namaken van een schrift of eene handteekening als proef van bekwaamheid is geen misdrijf.

Nu de wet niets dan het hier genoemde oogmerk eischt is de omschrijving wellicht wat ruim. Hij die bijv. zich sterk maakt eene handteekening zoo bedriegelijk na te maken dat degene van wien zij afkomstig heet te zijn ze zelf als de zijne zal erkennen, en die om het bewijs van zijne bewering te leveren het valsche stuk aanbiedt of doet aanbieden bijv. om daarop betaling te verkrijgen, al heeft hij het voornemen om het ontvangene terstond terug te geven, en dus geenszins het voornemen tot benadeeling, is strafbaar volgens dit artikel omdat zijne handeling materieel onder de omschrijving van valschheid valt en zijn oogmerk beantwoordt aan de eischen voor hot strafbare oogmerk.

Het gebruik van een valsch stuk toch is niet slechts aanwezig wanneer met of door het stuk iets verkregen wordt, maar ook reeds wanneer er gepoogd wordt iets te verkrijgen of uit te werken -).

Men is echter van oordeel geweest dat het oogmerk tot benadeeling of het bedriegelijke oogmerk, (lat door de jurisprudentie en de doctrine meer wellicht dan door de wet zelve tot een element van valschheid naar den Code pénal gemaakt was, als moeielijk te omschrijven en daardoor gapingen in de toepasselijkheid der bepaling latende, door het oogmerk zooals het thans omschreven is behoorde vervangen te worden.

Het oogmerk bepaalt evenals bij art. 208 (zie aanteekening 4 aldaar) het opzet van don dader.

1) Memorie van toelichting, Smidt II, eerste druk 250, tweede druk -53; zie het advies van den Haad van State, eerste druk 2;>1, tweede druk -55.

2) Rechtstreeks voor zich zelf iets te verkrijgen behoeft niet beoogd te worden, Rechtbank Amsterdam 27 November 1902, P. v. J. 1903, no. 25 ».

Sluiten