Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch de ambtenaar die de acte opmaakt, en, relateerende wat hem is opgegeven, verklaart hij slechts de waarheid; daardoor is reeds plegen, uitlokken en medeplichtigheid van de verschijnende personen uitgesloten want er is geen misdrijf van den ambtenaar waaraan of waartoe anderen kunnen medewerken. Ook voor doen plegen is er geene plaats; ook daarvoor zou toch noodig zijn dat de ambtenaar te goeder trouw onwaarheid verklaart, wat hij juist niet doet; hij constateert naar waarheid wat hem is opgegeven.

De gedachte aan valsclie acte vervalt hier ook; de acte zelve is eclit ook al is er toen zij in het leven geroepen werd aan de waarheid te kort gedaan.

Het materieele element van het hier bedoelde misdrijf is nu het doen van onware opgaven ter opneming in eene authentieke acte; die opgaven moeten betreffen feiten van welker waarheid de acte moet doen blijken.

De vraag is dan of en onder welke omstandigheden eene authentieke acte kan doen blijken van de waarheid van een feit dat er als onderwerp van de verklaring van eenige personen in voorkomt.

Dat elk bewijs aan tegenbewijs onderworpen is doet hier niet af, daar dit zoowel geldt van het feit dat er verklaringen zijn afgelegd als van de waarheid dier verklaringen; dat eene acte van de waarheid van eenig feit doet blijken kan dus nimmer worden aangenomen dan onder dit voorbehoud: zoolang niet tegenbewijs is geleverd.

Blijft men nu slaafs volgen de letter der acte waarin verschijnende personen hare opgaven doen constateeren — de eenige vorm van acte die hier in aanmerking komt — dan is er zeker geene enkele acte die iets anders heeft te doen blijken dan wat de ambtenaar relateert: dat de personen eene reeks verklaringen hebben gedaan. Hiermede zou echter de strekking van menige acte zijn miskend.

Men denke slechts aan de gevallen waarin de wet bepaalt dat zekere handelingen en overeenkomsten slechts uit authentieke acten kunnen blijken.

Heeft eene acte van schenking (art. 1719 Burgerlijk wetboek) geene andere beteekenis dan dat iemand verklaard heeft te schenken, kan zij dus slechts bewijzen eene buitengerechtelijke erkentenis van een feit?

Levert de acte van oprichting eener vennootschap (art. 38 Wetboek van koophandel) slechts het bewijs van de verklaring van partijen dat zij de vennootschap hebben aangegaan, of blijkt niet veeleer het bestaan der vennootschap uit die acte? Zal men kunnen beweren dat de koninklijke goedkeuring eenvoudig gegeven wordt aan de mededeeling van partijen dat zij op deze of gene voorwaarden eene vennootschap hebben aangegaan, of wordt niet veeleer de koninklijke bewilliging verleend aan de oprichting zooals die uit de acte blijkt?

Sluiten