Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is. Niet do plaats, maar de waarneembaarheid van liet feit moest beslissen i); doch daarmede werd het gewone begrip van openbaarheid niet losgelaten: dat het feit wordt gepleegd vóór liet publiek blijft ook hier een vereischte. Juist daarmede toch staat in verband de opneming van no. 2 in het artikel als de noodzakelijke uitbreiding van de tot dusverre geldende strafbepaling.

De uitbreiding tot schennis van de eerbaarheid waarbij een ander zijns ondanks tegenwoordig is was immers niet noodig indien aan do openbare schennis eene beteekenis gegeven mocht worden als die de Minister voorstond. Daaronder valt wel in de eerste plaats een feit dat door eenen overbuur die argeloos voor zijn venster komt staan zijns ondanks wordt waargenomen.

Wat in de Memorie van toelichting wordt gezegd ter rechtvaardiging van de opneming van no. 2: dat er plaatsen zijn waar een aantal personen bijeen zijn, als ziekenhuizen, kazernes, gevangenissen, spoorwegrijtuigen , terwijl toch het karakter van openbaarheid er aan ontbreekt (en dan niet alleen aan de plaats maar ook aan de handeling) is toepasselijk op plaatsen en handelingen voor onderscheidene geburen toegankelijk en waarneembaar.

Er is dus werkelijk geene reden hier aan het woord openbaar eene zoo geheel ongewone beteekenis te geven, en de Minister die het deed vergat voor een oogenblik dat de leemte eener vroegere wetgeving daardoor niet behoefde aangevuld te worden, maar door de strafbaarstelling van het onder no. 2 genoemde feit bereids in het ontwerp aangevuld was.

2. In verband met het boven betoogde zullen de woorden „waarbij een ander tegenwoordig is" niet beteekenen dat een ander juist in hetzelfde lokaal, op hetzelfde terrein moet vertoeven waar de schennis van de eerbaarheid gepleegd wordt; het kriterium toch dat eens anders eerbaarheidsgevoel gekwetst moet kunnen worden wijst niet op lichamelijke tegenwoordigheid van den waarnemer, maar op de mogelijkheid der waarneming; iemand is tegenwoordig bij de handeling indien hij ze waarneemt.

3. Het begrip schennis der eerbaarheid wordt door de wet zelve in zooverre beperkt als zij daaronder niet begtijpt handelingen betreffende voor do eerbaarheid aanstootelijke afbeeldingen, het zingen van

1) Zóó Ilooge Raad 12 Mei 1902, WW. 7708, 1'. v. J. 1002, no. 157: openbaar is wat oji eene openbare plaats geschiedt of van eene openbare plaats zichtbaar is.

Sluiten