Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter verspreiding geschikte afbeeldingen, bij art. 451 aan schrijven en teekenen. Hier schuilt m. i. eene misvatting. Dat hetgeen verspreid wordt een ter verspreiding geschikt voorwerp moet zijn spreekt wel vanzelf, maar dat het aanslaan of tentoonstellen alleen betrekking zou kunnen hebben op zoodanig voorwerp is bepaald onjuist: het volgt geenszins uit de woorden van het artikel en er is geene reden denkbaar waarom het tentoonstellen van eene niet voor verspreiding geschikte, bijv. op paneel geschilderde afbeelding geen misdrijf maar eene overtreding zou moeten zijn.

In de tweede plaats wordt het voorgesteld alsof art. 240 enkel vuil winstbejag zou treffen. Ook hiervan staat niets in de wet; mag hij verspreiden en ter verspreiding in voorraad hebben het winstbejag in den regel eene groote rol spelen, bij tentoonstellen en aanslaan behoeft het geenszins bedoeld te zijn; men heeft zich dus wel te wachten voor beperking der toepassing van het artikel tot gevallen waarin het winstbejag als motief bewijsbaar is.

liet eenige naar de woorden der wet toelaatbare onderscheid is dat tusschen tentoonstellen of aanslaan en stellen, welk laatste in dit verband alleen kan verstaan worden van schrijven of teekenen; het opplakken van een geschrift of eene teekening is aanslaan, terwijl tentoonstellen meer van neerzetten of ophangen wordt gebezigd. Wellicht was dit ook de bedoeling van de eerstgenoemde redeneering in de Memorie van toelichting.

Waarop nu het onderscheid in strafbaarheid berust is niet duidelijk. Heide handelingen hebben volkomen hetzelfde effect: kwetsen van de eerbaarheid. Mag het teekenen op muren en deuren veelal uit baldadigheid voortkomen, baldadigheid is er geen wettelijk kenmerk van, en behoeft er feitelijk niet aan ten grondslag te liggen. En is het tevens waar dat eene aanstootelijke afbeelding achter een winkelraam tentoongesteld meer de aandacht trekt dan eene vieze teekening onder talrijke muurbekladdingen, voor inachtneming van het daarop berustende onderscheid dient de speling tusschen minimum en maximum van straf; juridiek onderscheid is er niet.

7. Wordt in het algemeen niet naar eenige bedoeling gevraagd, in hot bijzonder kan niet als rechtvaardigingsgrond gelden dat liet tentoongestelde een kunstvoorwerp is. Intusschen zal eene naakte figuur bijv. wanneer zij uitsluitend als kunstwerk bedoeld is niet aanstonds als de eerbaarheid kwetsend moeten worden beschouwd; de ingetogenheid der voorstelling zal daarbij van invloed zijn i).

1) In het wijzigingsontwerp van den Minister ('ort van der Linden (l'IOO) wordt uitdrukkelijk gevorderd: anders dan met liet kenlijk oogmerk het algemeen belang, wetenschap of kunst te bevorderen.

Sluiten