Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouwelijke persoon die den leeftijd van twaalf jaren bereikt heeft; benetien dien leeftijd wordt zij door de wet een meisje genoemd, vgl. dit artikel en de artikelen 243 en 245 niet 244.

Ten aanzien van de straf maakt dit geen onderscheid daar vleeschelijke gemeenschap met een meisje even zwaar wordt gestraft als verkrachting. Er zou alleen eene vraag van qualificatie kunnen opkomen; uit het onderling verband der aangehaalde artikelen moet echter worden afgeleid dat de wetgever bij kinderen van minder dan twaalf jaren geene tegenweer onderstelt en daarom in het plegen van geweld niet afzonderlijk voorziet, en ook den staat van bewusteloosheid of onmacht (art. 243) als element van het misdrijf van art. 244 verwaarloost.

Het feit wordt dan ook gelijkgesteld met verkrachting omdat toestemming van een kind niets afdoet, gelijk de Minister van justitie in liet Regeeringsantwoord op het verslag der Tweede Kamer deed opmerken i); het wordt dus nooit in verkrachting opgelost.

7. Volgens art. 81 wordt met het plegen van geweld gelijkgesteld liet brengen in eenen staat van bewusteloosheid of onmacht. Die bepaling vindt ook hier toepassing. Volgens art. 243 is minder zwaar strafbaar hij die vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw van wie hij weet dat zij in zoodanigen staat verkeert; indien hij zelf dien staat heeft te voorschijn geroepen valt hij onder art. 242 terug.

8. \ oor de bijkomende straf zie art. 251: over strafverzwaring art. 248.

Artikel 243.

Hij die buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw van wie hij weet dut zij iu slaat van bewusteloosheid ol' onmacht verkeert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

1. Vleeschelijke gemeenschap, zie aanteekening 2 op art. 242; vrouw, zie aanteekening 6 aldaar.

2. \ oor het misdrijf is noodig dat de dader weet met eene vrouw te doen te hebben die in bewusteloosheid of onmacht verkeert.

Beide — bewusteloosheid en onmacht — zijn ziekteverschijnselen, en men mag aannemen dat de wetgever onder den erkenden invloed van geneeskundigen op de opvattingen, in de wet gehuldigd na op hunne

J) Smidt II, eerste druk 299, tweede druk 309.

Sluiten