Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vromv die eenen man mocht dwingen tot vleesclielijke gemeenschap buiten echt zou echter volgens dit artikel strafbaar zijn. Het artikel is behoudens het gezegde zeer ruim: er wordt noch onderscheid gemaakt naar do kunne van dengene op wien de dwang wordt geoefend, noch vereischt dat de ontuchtige handelingen het werk van den dwinger en den gedwongene gezamenlijk zijn; dulden wijst natuurlijk op het ondergaan van hetgeen een ander verricht: plegen behoeft niet te geschieden aan het lijf van een ander, het kan ook zijn eene handeling aan of met eigen lijf1).

3. Aan het hier behandelde misdrijf is een eigen naam gegeven: feitelijke aanranding der eerbaarheid. Die naam mag ook hier niet leiden tot de reeds bij art. 41 (aanteekening 4) en art. 239 (aanteekening 4) bestredene opvatting dat het persoonlijke eerbaarheidsgevoel van den gedwongene gekwetst moet zijn. Hier blijkt dit trouwens voldoende uit de elementen van het misdrijf, bij welks samenstelling met persoonlijk gevoel geene rekenschap gehouden is. De vraag is alleen of iemand is gedwongen tot het plegen of dulden van handelingen (onder het artikel vallende) die hij in concreto, om welke reden ook, niet vrijwillig gepleegd of geduld zou hebben -).

De naam bepaalt overigens van het begrip ontuchtige handelingen de ware grenzen. Al wat ontuchtige handeling is randt do eerbaarheid aan. maar ook elke handeling, nl. elke handeling aan of met eigen of eens anders lijf, waardoor de eerbaarheid wordt aangerand is ontuchtig. Zóo liet oneerbaar brengen van de handen onder de rokken van eene vrouw of een meisje3). Of eene handeling ontuchtig is, de eerbaarheid aanrandt, zal afhangen van omstandigheden, o. a. van de bedoeling des daders, die uit «Ie wijze van bedrijven van het feit afgeleid kan worden 4).

4. Terwijl de dwang in art. 242 bedoeld alleen strafbaar is zoo hij leidt tot gemeenschap buiten echt, is hier ook do echtgenoot tegenover den echtgenoot beschermd; intusschen zullen sommige hande-

1) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 3 op art. 247.

2) In het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) is de naam van het misdrijf weggelaten, trouwens ook in verband niet de uitbreiding tot verleiding door listige kunstgrepen of bedricgelijke voorspiegelingen.

3) Hooge Raad 1 December 1890, Wbl. 5973, 1'. v. J. 1891, no. 27.

4) Hooge Raad 25 Januari 1807, Wbl. 0924, 1'. v. J. 1897, no. 27; 11 Februari 1901, Wbl. 7569, P. v. .1. 1901, no. 27; 1 April 1901, Wbl. 7590, P. v. J. 1901, no. 53; vgl. Hooge Raad 24 Oetober 1898, Wbl. 7194, P. v. J. 1898. no. 98.

Sluiten