Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt tot het opwekken van medelijden of gebruikt wordt als geleider van eenen blinden bedelaar, of wanneer het zelf aan de kunstverrichtingen of den arbeid niet deelneemt; hierbij zal dan echter altijd een vereisehte zijn dat de kunstverrichting, do arbeid, ook gevaar voor het kind oplevert; het kind behoeft niet beschermd te worden tegen gebruik bij verrichtingen waarmede een ander uitsluitend zijn eigen leven waagt.

4. Of eene kunstverrichting of een arbeid gevaarlijk is moet in elk bijzonder geval naar de omstandigheden beoordeeld worden. Gevaar is de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid van iets kwaads, in casu van verlies van leven of gezondheid of van verminking, gelegen hetzij in do verrichting of den arbeid op zich zelf, hetzij daarin in verband met den leeftijd en de daarmede samenhangende kracht, bedrevenheid of ontwikkeling van het er toe gebruikte kind1).

Uit laatste geldt ook van het ondermijnende van den arbeid.

5. De dader van het misdrijf is hij onder wiens wettig gezag het kind staat.

Dat zijn in de eerste plaats de ouders en de voogd, van de eeiste echter alleen de vader zoolang de ouderlijke macht door hem wordt uitgeoefend, in welk geval de moeder geen gezag over het kind heeft. Hier is m. i. eene leemte in de wet.

Verder omvat de uitdrukking wettig gezag in het algemeen elk door de wet rechtstreeks of door den rechter krachtens de wet toegekend gezag. Eigenlijk is dit alles wettelijk gezag. Wettig gezag is dat hetwelk overeenkomstig, d. i. niet strijdig met de wet is. wettelijk dat door of krachtens de wet verleend wordt. De begrippen dekken elkander hier; het bij of krachtens de wet opgedragene gezag is ook wettig en het gezag kan slechts wettig zijn zoo het wettelijk is.

Intusschen kan het kind wettig, d. i. door eenen bevoegde, aan een ander toevertrouwd zijn; oefent dan die ander ook gezag' uit? Dit artikel beantwoordt die vraag niet, maar in art. 279 en 280 wordt onderscheid gemaakt tusschen hem die wettig gezag en hem die desbevoegd opzicht uitoefent; de laatste is hij aan wien het kind ter verpleging of opvoeding is toevertrouwd door dengene onder wiens wettig gezag het staat. Die persoon nu is hier niet genoemd, en bij de elders gemaakte scherpe tegenstelling kan zij niet geacht worden in het artikel begrepen te zijn, wat weder eene leemte in de wet aanwijst.

') Polenaar en Heemskerk, aanteekening 4.

Sluiten