Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik wensch, Mijnheer de Voorzitter, den Minister eene enkele vraag te doen, eene enkele bedenking te onderwerpen ten aanzien van drie punten.

De eerste betreft hetgeen de Minister „scheiding van Kerk en Staat noemde." Wat mij aangaat, de beteekenis van de stelling: Staat en Kerk zijn gescheiden, is eenvoudig deze: dat de Staat geen kerkelijk karakter heeft en de Kerk volkomen vrij is. Vandaar dat ik in die scheiding het eenig middel zie om aan de Kerk die vrijheid te waarborgen, waarop zij naar mijn inzien bovenal prijs stellen moet.

Wat heeft nu de Minister gezegd? Ilij erkent, dat scheiding van Staat en Kerk een beginsel van ons staatsrecht is, maar de toepasselijkheid tegensprekende van zoodanige scheiding als in NoordAmerika plaats vindt, zegt hij: in Nederland is de Kerk in den Staat. Dat erkent iedereen, en dat is ook in Noord-Amerika waar. Volgens den Minister beteekent scheiding van Staat en Kerk, dat elk van beide zelfstandig is in eigen kring. Dat kan echter eveneens gezegd worden van eene provincie en van eene plaatselijke gemeente, leden van het Staatslichaam; wil de Minister de Kerk daarmede op ééne lijn plaatsen?

De Minister heeft er in de tweede plaats bijgevoegd: „De gevolgen der vroegere vereenzelviging van Kerk en Staat zijn gebleven en zullen blijven." Daartegen heb ik in de eerste plaats deze bedenking. Men zegt: cessante causa cessat ejfectus. Indien de gevolgen eener vroegere vereenzelviging van Kerk en Staat gebleven zijn, zijn de gevolgen gebleven zonder den grond, waarop zij rustten, en zijn zij dus thans sine cama. Inzonderheid echter vraag ik: welken Minister hebben wij daar hooren spreken? Is het een Minister van de Hervormde Kerk alleen? Hetgeen hij zeide van vereenzelviging van Kerk en Staat heeft toch geene betrekking tot andere kerkgenootschappen, maar tot dat der Hervormden. Zijn nu de gevolgen eener vorige vereenzelving gebleven, dan is er op dit oogenblik geene gelijkheid van recht en bescherming ten aanzien der onderscheidene kerkgenootschappen, zooals de Grondwet toch uitdrukkelijk wil. Diezelfde bedenking treft ook eene andere uitdrukking. Beide, Staat en Kerk, zegt de Minister, bestaan en leven door en nevens elkander; de Minister, die te voren gezegd had, dat de Kerk in den Staat is. Beide bestaan en leven door en nevens elkander; dat is het karakteristieke dier betrekking. Ik weet niet of ik mij bedrieg, Mijnheer de Voorzitter, maar het schijnt mij toe, dat de Minister ook daarbij weder een kerkgenootschap, dat voorheen zeer bijzonder met den Staat verbonden was, voor den geest had; want hoe men die stelling wil toepassen op de overige en op al de kerkgenootschappen te gelijk en te zamen, dat verklaar ik niet te vatten.

Een derde en laatste opmerking. De Minister heeft ons gezegd: ,,de werkkring van den Staat ten aanzien van de kerkgenootschap-

tiiorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1857—1858. '2

Sluiten