Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de derde plaats: de aansluiting, waarover onderhandeld is en wellicht nog onderhandeld wordt, met Pruisen en Hannover. Er schijnen bezwaren te zijn gerezen, inzonderheid van de zijde van Pruisen. Is er gevaar, dat de zaak daarop afstuite? Van welken aard zijn die bezwaren?

Eene andere lijn zou worden getrokken van Crefeld over Kleef naar Nijmegen. Zijn wij het over die lijn met Pruisen eens geworden? Zoo niet, waarom niet? Wil de Ilegeering ons tevens doen kennen, welke richting die lijn hebben zal, of zij, volgens het ontwerp tot dusver aangenomen, over Geldern zal loopen, de Ilegeering zal mii verplichten.

In de laatste plaats: de aansluiting te Leer. Ik herinner mij een tijd, waarin het Hannoversche gouvernement zeer genegen was die aansluiting te bevorderen. Daarop is een tijdvak gevolgd" waarin de Hannoversche regeering omgekeerd, en in alle gevalle ongezind was, die aansluiting tot stand te laten komen alvorens te Rheine aangesloten ware. Kan de Regeering ons zeggen, in welken stand die zaak zich thans bevindt?

III. Een paar vragen nog aangaande onze weinige reeds gevestigde ondernemingen.

Het is eene treurige waarheid, maar die moet worden gezegd, dat ons land zich, wat spoorwegcommunicatie betreft, in een zeer bescheiden nederigen stand bevindt, — ik zou haast durven zeggen, in diskrediet is. Van waar dat? Men geeft daarvoor onderscheidene redenen op en het is, geloof ik, in het algemeen belang, die redenen te overwegen, opdat het onderzoek ons dienstig kan zijn voor het vervolg. Men zegt: onze lijnen en het exploitatiematerieel zijn gebouwd onder het bestuur van onzen waterstaat. Mijnheer de Voorzitter, ik was zoo dikwerf verplicht het corps van den waterstaat, waarvan ik eenmaal het hoofd was, met eere te vermelden, dat, zoo het kritiek geldt, die zeker aan mij eer dan aan een ander kan worden vergund. Men zegt — en het is niet eene enkele, het is schier eene algemeene stem — de waterstaat bouwt duur, eene eigenschap onafscheidelijk van alle staatsindustrie, maar de inrichting is daarenboven, voor de tegenwoordige eischen van den dienst, niet doeltreffend. Het bestuur van den dienst, tot dusverre onder ingenieurs, is beneden dat van andere landen, vooral met betrekking tot liet goederenvervoer, en ik behoef niet te herinneren van hoe veel gewicht dit voor een aanwas van de opbrengst der spoorwegen is. Voorts klaagt men over belemmering in de aansluiting met den vreemde, belemmering inde aansluiting met de diensten aldaar en belemmering wegens de douaneformaliteiten. Ik heb het laatste verslag van de directie der Rijnspoorwegmaatschappij met aandacht gelezen, en er zijn bij die lezing onderscheidene vragen opgekomen, welke in die bezwaren en klachten aanleiding of grond vinden.

Sluiten