Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opmerking zijn: indien in bijzondere omstandigheden (en het is alleen voor bijzondere, exceptioneele omstandigheden, dat vroeger in de Memorie van Beantwoording, nu door den redenaar uit de hoofdstad eene uitzondering gevraagd werd op den regel, dat ook de militaire ofiicieren Nederlanders behooren te wezen) — indien in bijzondere omstandigheden op bijzondere wijze moet worden voorzien, de wetgever zal daartoe in de gelegenheid zijn. Wij kunnen niet in oorlog komen, ile militie kan niet samenblijven, zonder eene wet. Indien nu ingeval van oorlog het getal onzer officieren niet toereikend ware, of er behoefte mocht zijn aan specialiteiten, die in ons corps ontbraken, welnu, wat bezwaar is er dan om voor zulke omstandigheid eene machtiging te verstrekken, gelijk zij in Belgie bij eenige wetten verstrekt is; eene machtiging welke door deze wet niet wordt noch kan worden uitgesloten. Indien bij deze algemeene wet eene uitzondering gemaakt wierd, dan moest die gemaakt worden voor bepaalde, te noemen speciale vakken, en ik geef in bedenking of dit mogelijk zij en aan het oogmerk zou voldoen. De geachte spreker vereenigt zich niet met hetgeen tot dusver de leer van dit Gouvernement was, dat de Kroon volle vrijheid heeft om vreemdelingen tot officieren te benoemen en dat die vrijheid door geene wet behoort te worden beperkt. Hij erkent het voorschrift der Grondwet: „in den regel zijn enkel Nederlanders tot de landsbediening van officier benoembaar; de uitzonderingen regelt de wet." Welnu, zoo een vreemd officier als specialiteit enkel gevorderd wordt in bijzondere omstandigheden, waarvan de aard of het karakter op dit oogenblik niet kan worden voorzien, en zoo daarvoor eene uitzondering moet worden gemaakt, is het dan niet beter, met zoodanige wet van uitzondering te wachten totdat wij in de omstandigheid verkceren welke de uitzondering vordert? Dan is de wetgever steeds daar om de uitzondering te maken, die in het belang van het land noodzakelijk mocht worden gekeurd.

Artikel 2. De aanhef van het artikel zou volgens het ontwerp luiden: „Vreemdelingen, die bij de zee- of landmacht van den staat in dienst zijn of geweest zijn, kunnen benoemd worden tot enz." De heer Th. stelde voor, te lezen: „Vreemdelingen, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, bij de zee- of landmacht enz."

Het amendement, Mijnheer de Voorzitter, behoeft, geloof ik, nauwlijks verklaring. De drie laatste artikelen voorzien in het geval, dat sommige personen nu zekere bedieningen bekleeden, welke hun niet zouden opgedragen zijn, indien deze wet reeds bestaan had. Welnu, terecht wordt in artt. 3 en 4 gezegd: „Vreemdelingen, die op het tijdstip, dat deze wet in werking treedt, reeds in burgerlijke landsbedieningen zijn geplaatst." Evenzoo in art. 4. Dit is geheel overeenkomstig met de ontwerpen van 1852 en 1856. Doch in die ontwerpen las men gelijke voorwaarde in art. 2, handelde, evenals

Sluiten