Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

", en erkende de minister, dat aanleg en exploitatie van spoorwegen zooveel mogelijk aan partikulieren behoorden te worden overgelaten. Onderstenmng van staatswege mocht niet meer plaats hebben, dan strikt noodig was. Doch wat was strikt noodig? Ziedaar het moeilijke punt, om uit te maken.

al er vaste regelen omtrent concessiën behoorden te zijn, was iets waarover, volgens den minister, geen verschil van gevoelen kon bestaan. Een ontwerp van wet was dan ook iu bewerking.

Wat de gestelde vragen betrof antwoordde de minister, dat op het aaneggen van eene bepaalde lijn geene uitzichten konden worden geopend, zoolang de nood,ge opmetingen niet waren ten einde gebracht. Het was waar, ook dit rekenden sommigen overbodig, doch daar waren toch onweerspreekbare bewijzen van het tegendeel; b.v. in Maart 1857 werden plannen gemaakt voor een aantal lijnen, en werden de kosten op 30 32 millioen geraamd.

februari Iör,8> werd de aanleg van diezelfde lijnen iu eens op 54 millioen begroot. Moest de regeering zich dan niet zelve eene zekere basis zien te verschaffen, eer zij met voorstellen bij de kamer zoude komen? De regeering was dan ook voornemens, een tiental lijnen te doen opnemen.

Uitzicht op deelneming van kapitalisten hier te lande tot den aanleg van bepaalde lijnen bestond niet. Het was evenwel te verwachten, dat, zoo slechts door den staat voldoende hulp werd geboden, ook uederlandsche kapiuilistcn niet achter zouden blijven.

Omtrent het tot stand komen van buitenlandsche verbindingen gaf de minister weinig licht.

Ten slotte verdedigde hij de houding der regeering tegenover bestaande ondernemingen. De ambtenaren van den waterstaat, zeide hij, die bij het ehecr of bij den bouw dier lijnen waren betrokken geweest, waren op dat oogenblik niet in aktieven dienst van het land, doch als het ware „afgestaan aan die spoorwegondernemingen."

Iu de motie zag de minister wel .Iegelijk kritiek op de regeering opgesloten. Zij had de strekking, het ongeduld en den ijver van het publiek tegen de regeenng op te jagen.

Mijnheer de Voorzitter, ik heb bij het doen der interpellatie op voorleden Donderdag noch eene populaire, noch eene piquante redevoering willen houden; iets dat, geloof ik, aan ieder gemakkelijk zou zijn gevallen met betrekking tot dit onderwerp en aangezien hetgeen bij ons is geschied of niet is geschied. Ik heb eenvoudig de vraag behandeld: wat moeten wij doen om te beginnenf Ik heb mij ook niet voorgesteld de handelwijze der Regeering aan eene kritiek te onderwerpen. Maar zoo tusschen mijne beschouwing, mijne overtuiging ten aanzien van de wijze, waarop de zaak moet worden bestuurd, en hetgeen tot dusverre geschiedde, verschil bestaat en daaruit eene kritiek opgemaakt wordt, ik geloof niet dit te kunnen bele ten of weren. Dat het mij echter niet om kritiek te doen was

b-i'ar 'mJ' 111 d6n geheelen gang en toon van miJ'n betoog blij k-

Ik wil ook de Regeering niet dringen. De Regeering te dringen om op bepaalde punten te handelen, acht ik geenszins in het algemeen

Sluiten