Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die vervolgens zonder beleid of tempering loslatende, voor 1848, in het tijdvak waarvan ik gewaagde, zich deerlijk bedrogen zag.

Het voorbeeld van Pruisen. Vele concessionarissen en actionarissen, door de Pruisische regeering, zoodra deze zich de spoorwegondernemingen ijverig begon aan te trekken, met den waarborg van een minimum van rente ondersteund, zouden nu wenschen dat zij dien waarborg nimmer hadden erlangd. Van wege de clausule, die daar tegenover staat, en die aan de Pruisische schatkist een extra-dividend verzekert, gaat hetgeen de Staat van de partikuliere spoorwegen ontvangt ver te boven hetgeen de Regeering als garant van rente heeft moeten uitkeeren. Dat Regeeringsdividend is jaar aan jaar geklommen en daarentegen is hetgeen zij moet uitkeeren afgenomen; maar dat dividend, aan de Regeering in vergelding harer garantie van rente voorbehouden, besnoeit de inkomsten der actionarissen. Ik zeg dit natuurlijk niet in strijd met het gevoelen, meermalendoor mij geuit, dat wij, zoo het, om een werk van algemeen nut tot stand te zien komen, volstrekt noodig is, waarborg van rente behooren te verleenen, maar alleen omdat mij dit voorbeeld schijnt, gelijk de andere, zeer ten onrechte door den Minister in deze zaak te zijn aangevoerd.

Aanleg en exploitatie zooveel mogelijk aan partikulieren over te laten. Te dien aanzien is de Regeering met mij van één gevoelen. Evenzoo omtrent het beginsel dat van Staatswege niet meer aan subsidie moet worden besteed dan volstrekt noodig is. Doch de Minister vraagt: wat is volstrekt noodig? Wat volstrekt noodig is, daarover kan niet beslist worden dan in ieder bijzonder geval. Daarvoor is het onmogelijk, een algemeenen regel te stellen. Daarom ook verlang ik, dat de Regeering zich en, zoo noodig, de Kamer met eene bepaalde lijn bezig houde, om te beslissen en te laten beslissen wat volstrekt noodig is.

Dan zal men zich, Mijnheer de Voorzitter, ook daarbij de ondervinding elders mogen herinneren en ten nutte maken. In onderscheidene stukken, aan de leden der Kamer medegedeeld, komen vele cijfers voor van sommen, door de Fransche schatkist aan spoorwegen verstrekt. Wij zouden uit die stukken nog meer, dan nu, leeren, indien zij zoo waren bewerkt, dat wij onderricht werden, op welke gronden en onder welke voorwaarden die onderscheidene subventien zijn verleend en hoe zij over de onderscheidene jaren verdeeld waren. Daarop toch komt alles aan. Intusschen blijkt uit een ander gedrukt overzicht, waarvan de juistheid tot dusverre aan geen twijfel onderhevig schijnt, dat in Frankrijk voor de spoorwegen het meest gedaan is juist in die jaren, waarin van Staatswege het minst aan subventien is verstrekt. De Annuaire van de Revue des Deux Mtindes van 1856—1857 deelt uit een rapport, door den minister des travaux piiblica aan den Keizer ingediend, dat overzicht mede. Ik ga de

Sluiten