Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te staan, maar de zoogenaamde motie van orde bedoeld, die toen nagenoeg eenparig aangenomen is.

Nu zegt de Minister: wat kon ik sedert 1°. Januari doen? Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor die som van f60,000, waarop de Minister nu doelt, gestemd; maar nu zou ik bijkans berouw gevoelen, dat ik tot inwilliging van dien post heb medegewerkt. Vooreerst toch blijkt het nu, dat, hoewel reeds in 1856 in de Koninklijke rede vermeld werd, dat de aanvragen van concessien uitzicht gaven op een uitgebreid net van spoorwegen over het gansche vaderland, men met het onderzoeken van die aanvragen gewacht heeft tot dat zekere som, niet eens vanwege het Gouvernement bij de begrooting voorgesteld, door de Vertegenwoordiging toegestaan ware om opnemingen te doen. En nu wat die opnemingen zelve betreft. Het is mij uit de woorden van den Minister niet helder geworden, hoe die zaak door het Gouvernement begrepen wordt. Zij zou — mag ik dat zeggen, Mijnheer de Voorzitter? — volgens mijn inzien, niet juist begrepen worden, indien het Gouvernement zich door losse aanvragen van partikulieren liet bewegen om in de richtingen, waarvoor door die partikulieren concessien waren gevraagd, opnemingen te laten doen. Wij hebben een voorbeeld in eene Fransclie aanvraag, van de heeren du Hamel c. s., die ons een blaadje gezonden hebben, een half velletje, waarop aan de eene zijde eene kaart met lijnen geteekend, en aan de andere zijde vermeld is, dat zij, wanneer men hun zeker, nog al aanzienlijk, subsidie verzekert, concessie vragen voor lijnen, die onze noordelijke en oostelijke provinciën zouden doorkruisen. Wanneer dergelijke aanvragen gedaan worden, zonder meer, zal het Gouvernement daarin genoegzame aanleiding vinden, om den Waterstaat met opnemingen te belasten? Mij dunkt neen. Het Gouvernement is alleszins bevoegd, het is, dunkt mij, alleszins verplicht om geene aanvragen van concessie in overweging te nemen dan die door behoorlijke opnemingen en berekeningen gestaafd zijn; opnemingen en berekeningen, die wellicht van Gouvernementswege zullen moeten gecrontroleerd worden. Stelt het Gouvernement niet een behoorlijk gestaafde aanvraag tot voorwaarde, dan betracht het, dunkt mij, de rechtvaardigheid niet. Sommige aanvragen komen bij het Gouvernement in, voorzien van alle noodige opgaven, zoodat soms die stukken in het kabinet genoegzaam kunnen worden nagegaan en beoordeeld. Hetgeen aldus door den een geschiedt, wordt dat niet met billijkheid aan den ander opgelegd? De regel moet, geloof ik, gelden dat hij die eene aanvraag doet, tot beoordeeling der gronden en uitkomsten zijner onderneming in staat stelle; en ook daardoor een bewijs zijner ernstige gezindheid en degelijkheid geve. Dit brengt mij tot de reis van den eersten ambtenaar van den Waterstaat naar Groningen, waarvan ik Donderdag sprak. Het is mij niet bekend — en in het publiek is het, geloof ik, bij niemand bekend — dat die Fransche vragers om con-

Sluiten