Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merd, worden onze dagbladen, bij een beperkt binnenlandsch vertier, niet verhinderd om te worden wat ieder onzer moet wenschen dat zij waren, door eene zoo hooge belasting als de wet van 1843 hun oplegt?

Ik wil aan die wet geene andere dan fiscale bedoelingen toeschrijven. Van andere bedoelingen, om drukkende heffingen bijv. aan eene zoogenaamde politie van beperking der dagbladen dienstbaar te maken, kan in allen geval thans geen sprake zijn. De redenen welke voor die fiscaliteit bestonden, toen de wet van 1843 werd samengesteld, misken ik niet; de grond daarvan lag in de voorafgaande en toen nog voortdurende verlegenheid onzer financien. Maar die redenen zijn thans vervallen, en zoodra het verkeerde van den druk eener belasting als deze erkend is, bestaat er geen enkele financieele reden om, hetzij tegen afschaffing, hetzij tegen vermindering der heffing op te zien.

Ik ben gelukkig te kunnen herinneren dat, toen ik de eer had ambtgenoot te zijn van den tegenwoordigen Minister van Financien op de plaats, waar hij nu zit, door hem een voorstel, als hetgeen ik bedoel, is gedaan, doch verbonden met een ander element, dat in de kamer bezwaar heeft ontmoet, en dat, zoo het weder mocht verbonden worden met een dergelijk voorstel, als ik toen zeer heb toegejuicht en andermaal wensch uit te lokken, in de handelswereld onzer maatschappij opnieuw grooten tegenstand zal kunnen vinden.

De toestand onzer financien, zeide ik zooeven, laat toe, dat wij eene drukkende belasting zonder eenige bekommering herzien. Doch is vermindering van inkomst het onvermijdelijk gevolg van ontheffing? Wanneer er van verlichting sprake is — en ik heb de gematigdheid van de courant, die ik straks noemde, daarin erkend, dat zij niet geheelen vrijdom, maar slechts verlichting vraagt — dan is de tegenwoordige Minister van Financien gewis de laatste, dien men behoelt te herinneren hoe door matiging eener belasting hare opbrengst kan toenemen.

Bij hem heb ik geene motie van orde tot aansporing noodig, veel min het initiatief van een voorstel van deze zijde. Ik wil, ook op dit punt, slechts de stellige verwachting uitdrukken, dat de redenen die hervorming eischen, zoo ze niet reeds overwogen zijn, door hem in overweging zullen genomen worden, en de uitkomst daarvan niet lang op zich zal laten wachten.

3 Mei. Ontwerp van wet tot verhooging van hooofdstuk V der staatsbegrooting voor 1S58. Verlenging van het Apefdoornsehe kanaal naar den IJsel bij Dieren.

Aanleg van een werk van provinciaal belang van rijkswege in den regel niet gewenecht.

Sluiten