Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuig, in Februari ingediend, werd ten gevolge van de verandering van Ministerie niet onderzocht, ze werd eerst nu onderzocht. Wij hebben nu de maand Mei, en nu ontvangen wij in liet antwoord van den Minister niets minder, maar ook niets meer, dan hetgeen wij reeds in de Memorie van Toelichting lazen.

De Minister, èn in de Memorie van Toelichting, èn in de Memorie van beantwoording, spreekt wel van eene herziening die hij voorheeft maar zóó onbepaald dat het nauwelijks te onderscheiden is van hetgeen wij jaarlijks, juist gedurende den strijd die tegen de begrooting van Oorlog hier steeds werd gevoerd, plachten te vernemen.

Op dit oogenblik, Mijnheer de Voorzitter, hoe gaarne ik zal afwachten wat de Minister zal zeggen — en ik wil hopen dat de Minister in zijn antwoord ons een meer bepaald uitzicht zal geven dan hetgeen ik in de Memorie van Beantwoording ontwaar — zie ik geen middel om van mijne zijde de zaak verder te brengen. De tijd is nu te kort om meer te verkrijgen dan hetgeen de Minister ons zal willen toezeggen. De noodzakelijkheid zal dus kunnen ontstaan 0111, wil men niet medewerken tot eene stremming van den dienst uit dien hoofde, maar, wat mij betreft, ook uit dien hoofde alleen', zich met deze begrooting te vereenigen.

^ Nu heb ik nog twee opmerkingen ten aanzien van de Memorie van Beantwoording. De eerste betreft den indruk dien sommige uitdrukkingen van het Voorloopig Verslag op den Minister schijnen te hebben gemaakt. Zoo die indruk gevoeligheid is, dan heeft de Minister ongelijk. Ik kan met te meer vrijheid spreken, daar de uitdrukkingen, die een steen des aanstoots schijnen te zijn geworden, niet zijn voortgekomen uit mijne sectie, en ik in het bijzonder liever sterke redenen dan sterke woorden gebruik. Maar de Minister gelieve te overwegen wat een \ oorloopig Verslag is en wat het zijn moet. liet verslag dient het karakter van de deliberatien in de sectien terug te geven. Wat mij betreft, ben ik er zeer voor geweest en zal er steeds voor zijn, in het belang der Regeering zelve, dat, krachtig en onverbloemd nevens de verdediging van hetgeen ons voorgedragen werd, ook de afkeuring worde vermeld. Dit scheen mij en schijnt mij nog een plicht, dien de Vertegenwoordiging jegens het Ministerie, in het algemeen belang, dient te vervullen; het is haar plicht te waarschuwen dat men, zoo men al voor het oogenblik zich vereenigt met eene voorgedragen begrooting, het doet om eene reden, die"" later hoegenaamd niet meer zal gelden. Het is haar plicht te doen gevoelen dat uitstel de grieven of bedenkingen wel kan verzwaren, maar dié niet zal wegnemen noch verlichten.

Een tweede opmerking betreft hetgeen ik in de Memorie van Beantwoording aan den voet der derde bladzijde lees. De Minister zegt vooraf: „Wel kan hij hierbij te kennen geven, dat het zijn wensch is 0111 in den zin van de derde zinsnede dezer paragraaf te trachten,

Sluiten