Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid waargenomen, om dat onderwerp wederom ter bane te brengen, en vier jaar geleden is van hem de uilnoodiging gekomen, waaraan zich de beschermers van het beginsel, dat nu ter sprake is, de beide afgevaardigden uit Zwolle, terstond hebben aangesloten. De afgevaardigde uit Zwolle, die nu het voorstel gedaan heeft, is (het zij tot zijn lof gezegd) spoediger dan wij met zijn arbeid gereed geweest, en heeft dien ingediend op een tijdstip, dat ons nog niet rijp toescheen. Daarna heeft de Commissie van Rapporteurs getracht een voorstel, dat door de Vergadering niet aannemelijk werd gekeurd, aannemelijk te maken, en wij hebben daarbij, zooals uit de stukken blijkt, tegemoetkoming ondervonden van wege den voorsteller.

De voorsteller heeft hoofdzakelijk aangenomen hetgeen wij ons veroorloofd hadden hem te onderwerpen. Ik zeg: hoofdzakelijk. Er zijn namelijk eenige punten overgebleven in het Eindverslag, die wij in het nieuwe voorstel niet hebben wedergevonden, en het zijn die punten, waartoe de amendementen betrekking hebben.

Ik zeide, en ik geloof, Mijnheer de Voorzitter, met vol recht te mogen herhalen, dat wij ons de zaak der tienden met niet minder ijver hebben aangetrokken dan de geachte voorsteller. Wij hebben het voorstel en hetgeen ons voorkwam in de plaats van het voorstel te moeten gebracht worden, onderzocht, althans getracht te onderzoeken met die nauwkeurigheid, die men aan wiskunstige problema's pleegt te besteden. Met die nauwkeurigheid, zeg ik, en dit inzonderheid met betrekking tot het recht. Want, rechtvaardigheid bovenal. Rechtvaardigheid is de eerste, de hoogste plicht van den wetgever, en zoo ik en dit is ook het gevoelen van mijn mederapporteurs — zoo wij hadden kunnen vinden dat op eenig punt de rechtvaardigheid wierd gekwetst, wij zouden niet tot het voorstel hebben medegewerkt, liet recht, Mijnheer de Voorzitter, staat boven elke wet, het staat zelfs boven de Grondwet, en ik ben verre mij te willen verschuilen achter eene wet, die vóór de Grondwet de tienden afkoopbaar heeft verklaard. Ik ga verder: indien in de Grondwet eene bepaling wierd aangetroffen, die mij voorkwam onrechtvaardig te zijn, ik zou mij, zoolang ik kon, onthouden om tot de verwezenlijking van zoodanig voorschrift mede te werken. Rechtvaardigheid bovenal; maar in dit geval is er geenerlei onrechtvaardigheid niet alleen, maar het is juist ter bevordering van recht en rechtvaardigheid, dat dit voorstel strekt. Het heeft mij verrast onder de tegenstanders, nu ook mijne tegenstanders, te ontmoeten, hen die met mij in deze vergadering het jachtrecht op den grond van derden afkoopbaar hebben gemaakt, loen hebben wij in deze vergadering, toen heeft de Kamer juist dezelfde redenen vernomen, die nu door meer dan één lid zijn bijgebracht. Juist dezelfde redenen: het is een eigendomsrecht; een uitvloeisel van den eigendom; een reservatum dominium; art. 147 der Grondwet neemt den eigendom in bescherming. En nu zie ik onder

Sluiten