Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleid. De schijn zelfs alsof art. 147 eenigerlei betrekking tot een algemeenen maatregel heeft, is nu weggenomen. Derhalve zouden de slaveneigenaars zich, tegen het ontwerp van emancipatie, niet op dat artikel of zijn beginsel kunnen beroepen.

Slechts een bepaald slaveneigenaar, aan wien men een of meer bepaalde slaven zou willen ontnemen anders dan ten publieken nutte en buiten de wettelijke voorwaarden en vormen, zou bij art. 147 bescherming kunnen zoeken.

De tweede reden, waarom art. 147 aan dergelijken maatregel, als wij hier behandelen, te eenen male vreemd is, komt mij voor deze te zijn. Art. 147 van „eigendom" sprekende, spreekt van iets anders, dan van hetgeen waarmede wij nu te doen hebben. Wanneer art 147 van eigendom spreekt, dan spreekt het van een bepaald stuk goed. En waarmede hebben wij nu te doen? Met een eigendomsrecht; met iets dat men een uitvloeisel van den eigendom eene reservatio dominii, of een reservatum dominium heeft genoemd. Ik heb geene bedenking tegen eene van die uitdrukkingen. Maar ik zeg, juist daaruit blijkt dat het recht, waarover wij nu handelen, een recht is, aan den eigendom behoorende, in vroeger tijd van dien van het goed, waartoe het behoorde, afgescheiden.

Wat wil nu het ontwerp? Eveneens als bij het jachtrecht geschied is, wil het den weg openen, waarop dat recht, afgetrokken en losgemaakt van den eigendom, daartoe kunne terugkeeren. Wij willen den weg openen, waarop voor den eigenaar van het goed dat recht verkrijgbaar worde, en hereenigbaar met den eigendom, waarvan het in het wezen een deel is. De afzondering van dat deel moet kunnen ophouden. Hetgeen een recht is voor den een, is een onrecht geworden voor den ander. Nu komt de wetgever tusschen beide en zegt, zonder schade voor dengene, die in het wettig bezit is van hetgeen van den eigendom werd afgezonderd, zal er voor hem, die den eigendom heeft, gelegenheid zijn, om dien in zijne volkomenheid te herkrijgen. En ziedaar, Mijnheer Voorzitter, hoe, mijns inziens, dit voorstel strekt tot bevordering van de zaak van het eigendomsrecht. Het strekt om een geheel, dat, tot schade niet enkel van de bijzondere bezitters, maar van dat algemeene groote belang, dat wij landbouw noemen, ontleed is, in eenheid te herstellen.

Het gevoelen van den geachten spreker uit de hoofdstad, die in de zitting van gisteren het laatst het woord voerde (den heer van Twist) is ook het mijne, dat zoo afkoopbaarheid der tienden, krachtens eene verordening vóór de Grondwet met de Grondwet strijdig ware, die verordening behoorde te worden ingetrokken. Doch naar mijn inzien is er niets in de Grondwet hetgeen het nemen van dergelijken maatregel, als dien ik voorsta, belet. Ware zoodanige bepaling inde Grondwet te vinden of bij gevolgtrekking daaruit af te leiden, het zou mij voorkomen een groot gebrek in de Grondwet aan te duiden.

Sluiten