Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want dan zou een recht, vroeger onder eene geheel andere orde van zaken ingevoerd, thans onrecht geworden, niet uit den weg kunnen worden geruimd door geenerlei middel dan door den wil van hem, die in het bezit is. Zulk een hinderpaal zie ik in de Grondwet niet, en allerminst in art. 147, hetgeen niets anders doet dan zeggen, dat en hoe iemand ten algemeenen nutte kan worden onteigend.

Nog een enkel woord over de reeks van amendementen. Bij hetgeen de geachte voorsteller reeds uit het Eindverslag heeft overgenomen, zal het hem, geloof ik niet veel moeite kosten, zich met deze amendementen te vereenigen, waarvan de kiem eveneens in dat Eindverslag was gelegd.

Wat het eerste artikel betreft, hadden wij den geachten voorsteller in overweging gegeven dit te schrijven, zooals wij nu opnieuw voorstellen. Waarom?

Vooreerst, om niet achter te blijven bij het Burgerlijk Wetboek, voor zooveel den omvang der bedoelde schuldplichtigheden aangaat. Het Burgerlijk Wetboek noemt niet alleen tienden maar elke schuldplichtigheid van eene evenredige hoeveelheid van vruchten. Het kan niet anders dan in den geest van het voorstel zijn, elke schuldplichtigheid van dien aard eveneens te treffen.

In de tweede plaats moet dit voorstel — dacht ons — zich bepalen tot tienden, gevestigd vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek. Het Burgerlijk Wetboek moet onaangeroerd blijven ten aanzien van tienden, sedert zijne invoering gevestigd.

Er komt een derde reden bij. Wanneer men dit niet aanneemt, dan zal het voorstel met het Burgerlijk Wetboek strijden. Volgens het Burgerlijk Wetboek kunnen tienden worden gevestigd op voorwaarde, dat zij binnen dertig jaren niet afkoopbaar zullen worden. Hoe ware dit met artikel 1, zooals de geachte voorsteller het heeft gesteld, vereenigbaar ?

Art. 2 zal, indien art. 1 gelezen wordt zooals wij verlangen, geheel overbodig zijn.

Art. 3. „De bloktienden kunnen niet anders afgekocht worden dan telkens voor een vierde gedeelte van den tiendplichtigen grond, binnen het blok gelegen." Vroeger had ons geacht medelid twee keeren een ander voorstel gedaan. Hij had vroeger geschreven, de bloktienden worden niet anders afgekocht dan voor het geheele blok tegelijk. Daartegen was geenerlei bedenking gerezen dan dat men den voorsteller had verzocht — en dat hadden wij bij het Eindverslag in overweging gegeven — aandachtig te wezen op het geval dat niet alle tiendplichtigen in een blok wilden afkoopen De voorsteller is evenwel in gebreke gebleven dat punt te regelen, hetgeen wij nu, door het eerste gedeelte van onze lezing van art. 3, gemeend hebben te moeten aanvullen.

Er was een tweede punt, dat wij aan den voorsteller in bedenking

Sluiten