Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden gegeven, betreffende de verspreide tienden. Iemand heeft, buiten eenig blok, op eene reeks liggen een, twee, drie, vijf tienden. Van die vijf tienden zijn er twee, waardoor alleen de drie andere eenige waarde ontvangen. Mag nu de tiendheffer worden verplicht om zich die twee te laten afkoopen, ten gevolge waarvan hij zal blijven zitten met eenige snippertjes, waarbij men zich nauwelijks de moeite zal willen geven om het gewas van den grond te halen? Dat kan niet; zijn belang zou worden gekrenkt. Tot voorziening hiertegen dient de 2de alinea van art. 3.

Art. 7, vooral na de uitbreiding die art. 1 zal verkrijgen volgens ons voorstel, kan, dunkt ons, vervallen.

Art. 6 van het ontwerp zal in geen geval zoo kunnen blijven, als het nu luidt, dat zal de voorsteller aanstonds bij herlezen zien; doch wij laten dat artikel voor het oogenblik onaangeroerd. Art. 6, wanneer daar niet in stond: „of wel door droogmaling en inpoldering vruchtgevend zijn gemaakt", kon vervallen, want dan stond daarin niets anders noch iets meer dan hetgeen wij reeds lezen in art. 20 van de wet van 1840. Doch nu de geachte voorsteller er die woorden heeft ingelascht, zonder eenigszins te motiveeren, wenschen wij eerst te vernemen wat hij voor die invoeging zal bijbrengen.

Eindelijk art. 8, het recht aan den pachter gegeven om de pacht te laten varen, indien de tiend van een verpacht stuk land is afgekocht. Voor dat recht van den pachter scheen niet één grond, en wij meenen in bedenking te mogen gegeven, of men niet liever aan den pachter de keuze zal laten, om hetzij 5 per cent van de afkoopsom te betalen, hetzij de tiend te blijven voldoen. Natuurlijk wordt die in dat geval voldaan aan den eigenaar die de tiend heeft afgekocht.

November. Artikel 1. liet ontwerp schreef voor: „alle tienden zijn afkoopbaar op vordering van den tiendplichtige."

Amendement van den heer Th., het artikel te lezen:

„Alle vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek gevestigde schuldplichtigheid van tienden of van eenige andere evenredige hoeveelheid van vruchten, hetzij in deze, hetzij in geld te voldoen, is op de vordering van den plichtige afkoopbaar." (Zie de toelichting, hiervóór, blz. 69).

Daarop stelde de heer de Brauw vooi . „Alle vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek gevestigde schuldplichtigheid van tienden of van eenige andere evenredige hoeveelheid van vruchten, hetzij in deze, hetzij in geld te voldoen, is op de vordering van den tiendheffer of van den plichtige afkoopbaar." De wijziging had verder ten doel, een nieuw artikel 2 in het voorstel te brengen van den volgenden inhoud: „Indien de afkoop, bedoeld in het vorig artikel, plaats heeft op de vordering van den tiendheffer, heeft de plichtige de keus om den afkoopprijs in gereed geld te voldoen of om daarvoor ten behoeve van den tiendheffer eene schuldverbintenis met recht van hypotheek te verleenen, vijf ten honderd in het jaar rente dragende.

„Deze hypotheek heeft recht van eerste hypotheek op het onroerend goed,

Sluiten