Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het geheel kan worden afgekocht, een geheel zij, gelijkstaande niet een hlok, dat zal de rechter in elk bijzonder geval beslissen.

Het geachte lid uit Nijmegen (de heer van Nispen) wenscht zonder nadere bepaling hier slechts van „een tiend" gesproken te zien. Hoezeer wij wenschen het billijk belang van den tiendheffer te waarborgen, zoo wenschen wij toch niet te treden in een voorstel, dat, zonder eenige noodzaak, zonder eenige billijkheid, de moeilijkheid om tot afkoop van tienden te geraken, in vele gevallen oneindig zou vergrooten. Wat is toch een „tiend" zooals het woord hier gebruikt zou worden ? „Een tiend", zooals de geachte afgevaardigde uit Tiel (de heer de Kempenaer) daarvan voorbeelden heeft opgenoemd, „onder Rijswijk", „onder Voorschoten", „onder Voorburg", kan zich uren ver uitstrekken. Zoodanige tiend pleegt in blokken of onderdeelen verdeeld te zijn; die onderdeelen plegen afzonderlijk verpacht te worden, en nu moet de bevoegdheid tot afkoop kunnen toegepast worden op de onderdeelen, en niet enkel op de tiend onder éénen naam in haren geheelen omvang. Daarin is geene onbillijkheid voor den tiendheffer gelegen. Wij voor ons kunnen dus die wijziging van ons voorstel niet ondersteunen.

De tweede alinea. Het doel daarvan had ik de eer te verklaren. Wij wenschen dat, wordt dit voorstel tot wet verheven, deze op geenerlei onbillijkheid moge stuiten. Het beginsel, de grond, waarom een blok of ander tiendverband tegen den wil van den tiendheffer niet anders dan voor het geheel zal kunnen worden afgekocht, is enkel diens belang; en gelijke voorziening is, naar ons oordeel, noodig, waar, buiten tiendverband, zijn belang door gedeeltelijken afkoop zou worden gekrenkt.

De uitdrukking „bij elkander gelegen tienden" heeft men duister gevonden. Ons komt die niet duister voor; maar het zij genoeg dat anderen ze duister vinden, om haar duidelijker te maken. Zoo men derhalve de voorkeur geeft aan deze bewoording: „tienden op onderscheidene bij elkander gelegen gronden", wij hebben daartegen natuurlijk geene bedenking, want zij drukt onze meening eveneens uit.

De geachte afgevaardigde uit Arnhem (de heer van Lynden) vraagt, waarop het geschil, waarvan aan het slot van het artikel gesproken wordt, betrekking heeft. Ik antwoord: tot hetgeen onmiddellijk voorafgaat. Een tiendheffer, die beweert dat zijn belang door gedeeltelijken afkoop van zijne tienden zou worden benadeeld, kan vorderen dat zij te zamen worden afgekocht. Maar beweert hij terecht, dat hij anders zou worden benadeeld ? De rechter zal beslissen.

Wat het andere punt betreft, door den spreker uit Nijmegen (den heer van Lynden) aangeroerd, spreekt het van zelf, dat, zoo erover den prijs verschil is, de rechter beslissen zal. Maar hiermede heeft dit artikel niets te maken; het volgt uit een later artikel.

Ten slotte heb ik nog aan te merken, zoo het niet reeds volgt uit

Sluiten