Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tweede vraag betreft eene betrekking, die wij met Belgie hebben. In die dagbladen, die niet zeldzaam een valsch alarm verspreiden, maar soms toch ook de voorhoede der diplomatie zijn en hare aanstaande beweging verraden, las ik sedert eenigen tijd, dat Belgie in handelsverdragen, met vreemde mogendheden gesloten, teruggekomen is van vroegere bepalingen, in traktaten met diezelfde mogendheden vastgesteld ten aanzien van de betaling van den Scheldetol, of van het vaste recht op de Scheldevaart. Belgie heeft vroeger een grooten maatregel genomen en zich verbonden om aan alle vreemde schepen dat recht terug te geven, hetgeen zij, ten gevolge van de bepalingen der 24 artikelen, ons verschuldigd waren. Nu zeggen de dagbladen, dat het de toeleg van het Belgische gouvernement is, de bepalingen, welke Belgie tot die terugbetaling verplichten, uit die traktaten te doen verdwijnen. Die verplichting zou reeds verdwenen zijn uit een traktaat met Rusland en vervolgens uit dat met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Zonder nu den Minister van Buitenlandsche Zaken al te zeer of op dit oogenblik te willen dringen, neem ik de vrijheid te vragen, of de Minister ons over dat voor ons zeer gewichtig, en niet enkel uit een financieel gezichtspunt gewichtig, belang iets kan zeggen. Blijkt het uit de feiten, dat het streven van de Belgische diplomatie dat is hetgeen ik aanduidde? Heeft Belgie, ten gevolge der traktaten met Rusland en Noord-Amerika, en wellicht nog met andere mogendheden, opgehouden te kwijten hetgeen tot dusverre aan de schepen dier natiën terugbetaald werd? Het doel van Belgie is, zoo de feiten juist zijn, duidelijk. Zoolang Belgie den Scheldetol aan alle vreemde schepen terugbetaalt, is die tol een belang, dat niemand aangaat dan Belgie en ons. Maar van het oogenblik af, dat die tol ten laste der vreemde schepen komt, wordt hij, eerst in kleiner, dan in grooter kring, eene Europeesche vraag, en dan zal tegen ons, vroeger of later, de strijd kunnen beginnen, die gewonnen is tegen Denemarken, en op dit oogenblik over den Stadetol gevoerd wordt tegen Hannover.

Mijne derde vraag, Mijnheer de voorzitter, is een verzoek; een verzoek dat ik vastmaak aan hetgeen onder art. 2 in het Voorloopig Verslag aan den Minister in bedenking is gegeven. Ik lees daar:

„Naar aanleiding van eene dikwerf vernomen wordende klacht over de mindere bekendheid onzer gezanten met hetgeen op het gebied onzer binnenlandsche politiek en wetgeving voorvalt, wilden eenige leden de vraag gedaan hebben, of het niet doelmatig ware, zelfs ten koste van eenig geldelijk offer, aan het corps diplomatique, door middel van geregelde mededeeling en correspondentie, daaromtrent de noodige inlichtingen te verschaften". De Minister antwoordt: „Aan onze gezanten wordt de Staatscourant gezonden". Nu hoop ik, dat de Staatscourant het beoogde nut zal stichten en de soms verouderde indrukken zal kunnen uitwisschen, waarmede de diplomaten, die

Sluiten