Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moesten komen. Men inoest ook, behalve die van datzelfde artikel onder de letters b, c en d, niet vergeten hetgeen de vestingen, waarvan niet weinige door de mannen van het vak voor nutteloos en schadelijk worden gehouden, kosten aan personeel de genie, officieren, opzichters, bureaukosten, aan personeel der artillerie, magazijnmeesters , conducteurs, aan materieel van dat wapen, aan bezoldigingen van plaatselijke kommandanten, en aan pensioenen van al die ambtenaren. Dan zal men vinden, dat het cijfer, onder art. 22a uitgetrokken, slechts een zeer klein gedeelte is van de geheele uitgaaf voor de vestingen.

Ik wil een matig cijfer, in overeenstemming met de wezenlijke behoefte. Ik erken — en ik wenschte dat die algemeen erkend wierd — de noodzakelijkheid van voorbereiding, ook in tijd van vrede, tot eene krachtige verdediging. Men geve ons de overtuiging, dat hetgeen geschiedt of gevraagd wordt moet gedaan worden; dat de uitgaven doel treffen en niet beter zouden kunnen worden besteed.

De discussie over de toegezegde wet kan daaraan dienstbaar wezen. Doch ik moet, vooral op het punt waarop wij tot dusverre staan, vermindering van het cijfer met aandrang blijven vragen. Op dit oogenblik niet zoo zeer om den Minister een spoorslag te geven; ik ben overtuigd dat hij geen spoorslag behoeft om ons het ontwerp eener organisatiewet voor te dragen; maar tot een duidelijk teeken, dat wij een matiger cijfer willen dan in de laatste jaren werd toegestaan. Zoodanig duidelijk teeken wensch ik in de begrooting zelve geschreven te zien, hetgeen, voor zooveel dat thans, en zonder den dienst te stremmen, van onze zijde kan geschieden, aanwijze wat wij steeds hebben verlangd en verlangen voor het vervolg. Den moeilijken stand van den Minister waardeerende, vraag ik dat hij evenzeer den plicht waardeere dien de Volksvertegenwoordiging te vervullen heeft.

14 December. Artikel 22. Materieel der genievestingen. De heer Dommer van Poldersveldt had voorgesteld, het artikel met ƒ 100,000 te verminderen. Het doel was, daarmede uit te drukken, dat de Iegerorganisatie, gelijk de minister van oorlog die kortelijk had medegedeeld, op instemming niet zoude kunnen rekenen. De vermindering strekte dus, slechts zooveel toe te staan, als noodzakelijk was, om stremming van den dienst te voorkomen.

De heer Storm van 's Gravesande had zich tegen het amendement verklaard. Men kou den post, meende hij, niet verminderen zonder bedenkelijke gevolgen in het leven te roepen. Men mocht, over het algemeen, de begrooting van oorlog niet noemenswaardig verminderen. Evenwel had hij in 1849 zelf een voorstel tot vermindering ingediend.

De geachte afgevaardigde uit Steenwijk (de heer Storm van 's Gravesande) behoefde bij mij de verdediging van zijn amendement van 1849 niet; welks bedoeling ik toen alleszins heb gewaardeerd. Over het algemeen acht ik het niet edelmoedig, iemand aan te tasten met

Sluiten