Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antecedenten, zonder alle omstandigheden, waarin die hebben plaats gehad, in aanmerking te nemen.

Maar ik verschil van den geachten afgevaardigde, wanneer hij zegt: „wat baat het, de begrooting van Oorlog af te stemmen? Wij krijgen die als eene tijdelijke credietwet terug." Op dien grond zou men nimmer de begrooting van eenig hoofdstuk kunnen afstemmen. Aren doet dat, zoo het geschiedt, niet om den dienst te stremmen, maar omdat men op het oogenblik niet meester is van een ander middel om de begrooting te wijzigen, die men evenwel niet anders dan gewijzigd kan aannemen.

Tk ondersteun het amendement, om tweeërlei reden.

Vooreerst om die algemeene reden, die ik gisteren reeds de eer had te doen kennen; en wanneer ik mij daarop beroep, dan handel ik, dunkt mij, in den zin van 't geen ons de Minister heden en eergisteren meer dan eens heeft verklaard. De Minister verklaarde: „ik draag eene begrooting van een louter tijdelijk karakter voor." Eene begrooting derhalve, die zich onderscheidt van de gewone jaarlijksche begrootingen, die inderdaad ook geen ander dan tijdelijk karakter hebben, daar zij immers enkel voor één jaar worden voorgesteld en aangenomen. Waardoor onderscheidt zich nu deze begrooting, wat het tijdelijk karakter betreft, van de overige? Waardoor anders dan hierdoor — dat zij enkel bestemd is om den dienst gaande te houden, in afwachting van het ontwerp van legerorganisatie?

Indien dat niet de beteekenis is van de eigenschap tijdelijk, welke de Minister zelf aan deze begrooting toekent, dan schijnt het mij onmogelijk, de bedoeling hetzij van den Minister, hetzij van de leden die in zijn zin spreken, te vatten. Welnu, dan moet ook deze begrooting niets behelzen dan hetgeen noodig is om den dienst gaande te houden. Ik zou het van mijn plicht als volksvertegenwoordiger geacht hebben, in dien geest amendementen op andere artikelen voor te stellen, wanneer het doenlijk voor ons ware van andere artikelen een bepaald cijfer, zonder stremming van den dienst, af te trekken. Wat echter, van onzentwege, bij die artikelen niet kan geschieden, kan hier plaats hebben. Hier kan eene som worden afgenomen, en zelfs eene grootere som, dan die het amendement noemt, zonder aan den dienst eenige belemmering hoegenaamd toe te brengen. Zoodra dit blijkt, en het is, dunkt mij, klaar, dan is vermindering met den aard zeiven dezer begrooting overeenkomstig.

Ik heb eene tweede reden, ontleend aan het onderwerp van dit artikel.

Het geldt de vestingen. Sedert jaren is de vraag gerezen, of wij niet te veel vestingen hebben, en of niet onze kracht van verdediging juist door dat groot aantal wordt verzwakt. Zooveel ik kon, heb ik de redenen nagegaan, die ik van meer dan ééne zijde sedert jaren vernam; die, welke strekten om de vraag bevestigend te beantwoorden

thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1857—185k. 7

Sluiten