Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op welken grond? Omdat die garens grondstoffen zijn. Maar nu meen ik — niet op de getuigenis van een fabrikant of belanghebbende, die ik over dezen post niet heb vernomen, maar op de verzekering van een zaakkundige die geen fabrikant is —, dat geverfde, in kettingen geschoren katoenen weefgarens, ruwe, ongeverfde wollen garens en Tursche garens evenzeer grondstoffen zijn, het laatste grondstof van een uitnemend Nederlandsch, sedert lang beroemd fabrikaat, de Leidsclie polemieten. Het eenig doel van mijn amendement is, over die garens den vrijdom uit te breiden, omdat zij daarop gelijke aanspraak hebben als die, welke het ontwerp dér Regeering reeds vrijstelt.

In de voorlaatste alinea van mijn amendement worden de getwijnde of geverfde wollen garens met f 8 de 100 ponden bij invoer belast. Dat is niet hetgeen de Regeering bij hare jongste voordracht van wijziging wil, maar hetgeen tegenwoordig in het tarief staat. Het schijnt, dat hetgeen tegenwoordig in het tarief staat een minder recht is dan hetgeen de Regeering thans daarvoor in de plaats brengt. Het raakt niet het beginsel van mijn amendement, en ik vestig daarop slechts de aandacht van den Minister, met te meer vertrouwen, daar ik zelfs voor mijn amendement op zijne toestemming bijkans reken.

Antwoord aan den heer van Hoëvell.

Het laatste gedeelte van de rede van den vorigen spreker geeft mij enkel aanleiding tot tweeërlei opmerkingen. Ik waag mij niet, in navolging van dien spreker, op het gebied der spoorwegen. Ik zal afwachten of hetgeen hij heeft gezegd de discussie op dat gebied zal brengen; in welk geval ik mij misschien verplicht zou rekenen mij daarin te mengen. Voor het oogenblik onthoude ik mij.

Tweeërlei opmerking. I)e vorige spreker „had zooveel hooren redeneeren tegen de protectionisten, dat hij medelijden met hen kreeg". Mij dunkt, de vorige dagen getuigden dat men juist de protectionisten, degenen die niet zeiven zoo willen genoemd zijn, maar door anderen soms zoo genoemd worden, aan het woord heeft gelaten, en dat de Kamer in dit opzicht gedaan heeft hetgeen men haar altijd heeft zien doen: bovenal de vrijheid eerbiedigen van hen die in de minderheid zijn.

„Het jaar 1848 moest niet zijn genoemd, zeide de vorige spreker; want het had zich enkel gekenmerkt door politieke geschillen."

Mijne Heeren, het jaar 1848 was het jaar van de herziening , van de hervorming onzer Grondwet, en is daardoor, zoo de vorige jaren, zoo nog het begin van dat jaar zelf tijden van tweespalt waren, het jaar van vrede en eensgezindheid geworden.

De spreker heeft aanmerking gemaakt op den vorm van mijn amendement, en ik zie dat ik bij hem mijn doel niet heb bereikt.

Sluiten