Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprong niet aangenomen. Daar wordt Nederlandsch en vreemd fabrikaat niet onderscheiden. Mocht evenwel Nederlandsch fabrikaat van wollen en katoenen stoffen niet certifikaten van oorsprong in die andere havens worden aangebracht, dan zal hetzelfde niets meer, niets minder, gebeuren dan hetgeen aan Nederlandsch fabrikaat gebeurt, dat in de havens van Batavia of Soerabaja zonder certifikaten van

oorsprong aankomt.

Derhalve zie ik in het besluit van 1841 hoegenaamd geene wijziging van het tarief. Ik let daarbij op het blijkbare duel van het besluit, en niet — zooals, geloof ik, aan de andere zijde te veel geschiedt — op de uitdrukking aan het slot van dat stuk, waar gesproken wordt van een „minder recht." Ik acht dit eene bijvoeging, die niets ter zake afdoet; eene soort van strafbedreiging die zeer wel kon zijn weggelaten, doch waarop de Commissie, zoo mij voorkomt, te zeer heeft gedrukt, waarvan het gevolg was, zoo ik mij niet bedrieg, dat zij de ware beteekenis van het besluit heeft voorbijgezien. De meening van het louter administratief voorschrift is eenvoudig aanneming van certifikaten van oorsprong enkel in de genoemde havens te gedoogen.

Ik zal, mijnheer de Voorzitter, afwachten, of een amendement zal worden voorgesteld op het laatste gedeelte van de conclusie der Commissie, waarmede ik mij voor het overige volkomen vereenig. Want dat het besluit van 1841 moet worden ingetrokken, en wel, zoo de maatregel tot openstelling der havens in Indie uitvoering mocht erlangen, zoo spoedig mogelijk, acht ik met de Commissie boven twijfel.

De commissie beweerde, dat intrekking van het besluit van 1841 zoude neerkomen op wijziging van het tarief van invoerrechten. Immers dan zouden de wollen en katoenen goederen niet certifikaat van oorsprong, ook in de negentien opengestelde havens, van het differentieel reeht genieten. In de plaats van 25 pet. behoefde daarvan slechts 124 pet. betaald te worden. Was dat dan geene verandering van tarief, waarvoor de tusschenkomst van den wetgever noodig was?

Mijnheer de Voorzitter, bij een zóó scherp uitgedrukt verschil van meening wordt voortzetting van discussie moeilijk.

Wanneer degeen, dien ik de vrijheid nam tegen te spreken, zoo overtuigd is van de duidelijkheid en onbetwistbaarheid van zijn gevoelen als de geachte leden van de Commissie blijken te zijn, zou ik wenschen dat wij eenigen bedenktijd konden nemen, 24 uren bijv., om van beide kanten de wederzijdsche beschouwingen nog eens onderling te vergelijken. Het ongeluk wil, dat wij geen tijd hebben, en dat mijne bewering mij even duidelijk voorkomt als de hunne aan de geachte leden der Commissie. Mij schijnt, wanneer zij in het besluit van 1841 eene verandering van het bedrag der te betalen rechten ontdekken, dit eene niet juiste verklaring van de strekking dier ordon-

Sluiten