Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nantie, die, mijns inziens, met niets anders te doen heeft dan met toelating van goederen met certifikaten van oorsprong op bepaalde plaatsen, (ieene beperking of verandering van het differentieel recht; beperking slechts van het getal der havens, waar de fabrikaten met die bewijzen van Nederlandschen oorsprong zullen kunnen worden ingevoerd. Nu zegt de geachte laatste spreker (de heer Godefroi): immers uit de grief zelve, dat het besluit van 1841 niet gelijktijdig met de openstelling is opgeheven, blijkt, dat wij gelijk hebben. Mij dunkt, de grief is niet die, welke de geachte spreker onderstelt. De grief ontspringt niet uit eene veronderstelde betaling van hooger recht, maar hieruit, dat de aanvoer op Java van Nederlandsche fabrikaten te zeer belemmerd en als in het ongelijk geplaatst zou worden tegenover den aanvoer van andere en vreemde goederen, wanneer ook nu nog die beperking wierd gehandhaafd, die slechts te handhaven was zoolang buiten de drie havens eene enkele andere, maar niet 16 havens waren opengesteld. \Vanneer door die openstelling de aanvoer van andere vreemde goederen zich kan vermenigvuldigen, en over zóóvele nieuwe punten uitbreiden, dan moet ook ons fabrikaat met bewijzen van Nederlandschen oorsprong de gelegenheid vinden om elders te worden aangebracht.

Ik zal, Mijnheer de Voorzitter — want ik kan op dit oogenblik niet anders — nadat de Minister zal gesproken hebben, op het bureau van den President een amendement nederleggen, strekkende om de weglating van de laatste woorden der conclusie in bedenking te geven.

Het amendement werd met 37 tegen 15 stemmen aangenomen.

18 Mei. Ontwerp van wet tot „wijziging en aanvulling" der wet van 12 December 1817 (Stbl. no. 33) met opzicht tot het koopen, in pand- of «bewaring nemen of ontvangen van militaire kledingstukken. Beraadslaging over den considerans.

Ik hoorde den Minister van Justitie zeggen, dat dit voorstel door hem was gedaan om te voorzien in een geval, niet voorzien bij de wet van 12 December 1817, en alzoo tot „wijziging en aanvulling" dier wet. Mijns inziens echter verschillen de gedachte van de wet van 1817 en die van dit voorstel te eenen male. De gedachte van de wet van 1817 is, bevordering van desertie tegen te gaan; de gedachte van dit ontwerp is, men zou het een politiemaatregel kunnen noemen, te verhoeden dat niet-militairen aan militairen gelegenheid geven tot verkoop der equipementstukken. Dit ontwerp bedreigt straf tegen een op zich zelf onschuldig feit, en heeft met den dohis, waartegen de wet van 1817 is gericht, niets te doen.

Ik zou derhalve wenschen, dat uit den considerans het denkbeeld van wijziging en aanvulling der wet van 1817 verviel en dat die bijv.

Sluiten