Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden aan de Regeering van het Rijk, waaraan Limburg als provincie ondergeschikt is.

Eene andere stelling: „het Limhurgsch contingent blijft, tot welken dienst ook opgeroepen, steeds een deel uitmaken van het Nederlandsche leger", niet door den geachten afgevaardigde uit de hoofdstad, maar door andere sprekers en door den Minister van Oorlog verdedigd , kan ik evenmin beamen. Van het oogenblik af, dat het Limhurgsch contingent ter beschikking van den opperveldheer van het Duitsche bondsleger zal gesteld zijn, houdt, mijns inziens, dat contingent op een deel van het Nederlandsche leger te wezen. Het is dan in Duitschen dienst. Daarom meen ik te mogen tegenspreken hetgeen de geachte afgevaardigde uit Hoorn (de heer van Hall) beweerde, dat wij, leverende aan liet Duitsche bondsleger, niets anders doen, dan hetgeen geschiedt wanneer wij krachtens een voorbijgaand verdrag van bondgenootschap onze troepen bij die eener andere mogendheid voegen. In dat geval blijft onze krijgsmacht, met die van den bondgenoot vereenigd, alleszins eene Nederlandsche macht, waarvan het verband met het Nederlandsche krijgsbestuur niet wordt afgebroken. Van het oogenblik echter dat het Limburgsche contingent ter beschikking wordt gesteld, gaat het in Duitschen dienst over.

In de derde plaats vraag ik: waarmede hebben wij thans te doen? Niet met een twist over de verbindtenis, maar met twijfelingen, die over de wijze,om die verbindtenis te kwijten oprijzen; eene verbindtenis die men tot dusver slechts op het papier en in beginsel zag, zonder op de verwezenlijking of prestatie door te denken.

Thans, nu de vervulling gevorderd wordt, wat vinden wij nu? Vooreerst dat de regels en inrichtingen van de Duitsche Bondswetgeving eigenlijk alleen berekend zijn voor Duitsche mogendheden, voor Staten wier hoofdkarakter Duitsch is, doch dat zij door landen buiten den Duitschen kring niet behoorlijk kunnen worden nagekomen.

Men vindt aan den anderen kant, dat men die verbindtenis, welke wij eventueel geroepen kunnen worden gestand te doen, nimmer met onze wetten in verband heeft gebracht. Wat toch kan men, behalve de vermelding van het Limburgsche bondscontingent in een artikel onzer begrooting van Oorlog, anders inroepen dan de laatste woorden van art. 1 der Grondwet? De wetgeving op de militie bijv. is met die verbindtenis gewis niet in overeenstemming. Intusschen is hetgeen men thans van ons vergt, wanneer het volle uitvoering zal erlangen, eene zware verplichting.

Ik heb met aandacht en deelneming geluisterd naar hetgeen door de geachte sprekers uit Limburg tegen deze verbindtenis in het midden werd gebracht. Zoo ik hun echter de vraag onderwerp: indien tot kwijting dier verbindtenis miliciens volstrekt moeten worden gebezigd, zijn dan die van Limburg niet het eerst aan de beurt? dan vertrouw

Sluiten