Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verliezen. Het is het voorrecht der kleine mogendheden dat zij zich kunnen onthouden. En ik ken vooralsnog geene reden waarom wij van dat voorrecht zouden afzien.

De minister van Buitenlandsche Zaken vroeg: „wat brengt die andere mogendheden in beweging ? Een oorlog, zeide hij, van beginselen." En de wijze, waarop de Minister van beginselen sprak, was — althans ik heb dien indruk ontvangen — een manifest tegen Frankrijk, of tegen de Fransche oorlogspolitiek. De Minister noemde zekere beginselen, door Frankrijk bij den aanvang van den oorlog verkondigd, en leidde uit de verkondiging van die beginselen de waarschijnlijkheid of noodzakelijkheid van een algemeenen oorlog af. Ik vraag, Mijnheer de Voorzitter, wat gaan ons die beginselen aan? Zijn wij geroepen of kunnen wij geroepen worden om tegen die beginselen te strijden? De rede van den Minister van Buitenlandsche Zaken heeft eene nieuwe, zware bedenking bij mij doen ontstaan. Had ik die niet gehoord, ik zou gezegd hebben: wij, Nederlanders, moeten geene maatregelen nemen, welke tweeërlei uitlegging toelaten; wij moeten niets doen hetgeen onze goede verstandhouding met andere mogendheden, telken jare in de rede, waarmede de Koning deze Vergadering opent, als een zegen geprezen, zou kunnen verstoren. Inderdaad hebben, volgens de woorden van den Minister, de maatregelen die ons worden voorgesteld, één doel, ééne strekking; zij laten slechts éénen uitleg toe; maar die uitleg maakt ze minder, dan ooit, aannemelijk.

De maatregel op zich zelf beschouwd. Wanneer men na langen vrede plotseling door het uitbreken van een oorlog wordt verrast, dan is het natuurlijk dat men zijne eigene verdedigingsinrichtingen eene herziening doe ondergaan, en de Regeering zich de vraag voorstelle : is er soms in den gelukkigen toestand van zorgeloosheid, waarin wij ons sedert zoovele jaren bevonden, iets verzuimd dat nu behoort te worden aangevuld ? Zoodanige alleszins natuurlijke en plichtmatige overweging zal kunnen leiden om door blijvende voorzieningen onze weerbaarheid te versterken. Ik breng daartoe die welke betrekking hebben tot onzen voorraad, tot onze magazijnen, of tot de leemten in ons stelsel van defensie. Maar is hetgeen ons wordt voorgesteld van dien aard? Neen. Het is een buitengewone, voorbijgaande maatregel met betrekking tot eene bepaalde omstandigheid. Men heeft wel in de zittingen van gisteren en heden de grens tusschen het ontwerp, dat wij eenigen tijd geleden aannamen, en dit voorstel trachten onzichtbaar te maken. Het eerste bedoelde, zeide men, wapening, gelijk het laatste. Maar bestaat er dan geen verschil meer, Mijnheer de Voorzitter, tusschen het opleggen van wapenen en kleedingstukken in magazijnen, zonder nog iemand te kleeden of te wapenen, en het oproepen en op de been houden van een aanzienlijk deel der militieplichtige bevolking? Mij dunkt het onderscheid is groot en verdient ernstige behartiging. De Kegeering moet, dunkt mij, de spanning,

Sluiten