Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn ontslag. Dit heeft men gehoord of gevoeld, en men meende daaraan tegemoet te moeten komen. Maar de ondernemers altijd tot betaling der schadevergoeding verplicht te verklaren, gaat evenmin aan. Wat de wet zeggen moet, is dit, dat de ondernemers verantwoordelijk zijn voor de schade. Uit wiens beurs die schadevergoeding moet worden betaald, zal blijken bij den rechter.

18 Juli. Artikel 2.

Om sommige bedenkingen tegen het voorstel der Regeering, die mij juist toeschijnen, weg te nemen, heb ik de eer aan de \ ergadering en aan de Ministers eene nieuwe redactie van art. 2 te onderwerpen. Ik meen, dat wij het algemeene beginsel van de verplichting der ondernemers tot schadevergoeding zuiver en volledig uitdrukken, wanneer wij het artikel aldus lezen:

„De ondernemers van een spoorwegdienst zijn verantwoordelijk voor de schade door personen of goederen, bij de uitoefening van den dienst, geleden, ten ware de schade buiten hunne schuld ot die hunner beambten of bedienden zij ontstaan."

Dit is het beginsel van het algemeene recht, dat wij in art. 91 van het Wetboek van Koophandel, gelijk in art. 345, door den geachten afgevaardigde uit Delft aangehaald, vinden, toegepast op ondernemers van een spoorwegdienst.

Antwoord aan den heer (iodefroi.

De geachte spreker beweert, dat het artikel, zooals ik het heb voorgesteld, met het gemeene recht strijdt. Ik meen, dat het daarmede volkomen strookt.

Met welk gemeen recht hebben wij hier te doen? Een spoorwegdienst is eene inrichting van vervoer. Waar hebben wij dus het gemeene recht te zoeken? In het Wetboek van Koophandel, daar waar dat wetboek van de middelen en ondernemingen van vervoer gewaagt. Art. 91 luidt: „De voerlieden en schippers moeten instaan voor alle schaden, aan de ter vervoering overgenomene koopmanschappen of goederen overgekomen, uitgezonderd dezulke die uit een gebrek van het goed zelf, door overmacht, of door schuld of nalatigheid van den afzender of expediteur veroorzaakt zijn." Art. 345 zegt evenzeer: „Hij [de schipper] is verplicht alle mogelijke naarstigheid, toezicht en zeemanschap te gebruiken. Hij moet instaan voor alle schaden die aan de te vervoeren goederen overkomen, uitgezonderd dezulke die uit een gebrek aan het goed zelf, door overmacht, of door de schuld of nalatigheid van den afzender veroorzaakt zijn." Ziedaar het beginsel in mijn amendement opgenomen.

Wanneer dus de geachte spreker de civielrechtelijke verantwoordelijkheid van ons Burgerlijk Wetboek onderscheidt van die van het

Sluiten