Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wetboek van Koophandel, en meent dat de eerste moet toegepast worden op het onderwerp dat wij hier behandelen, dan antwoord ik: wij behandelen hier eene inrichting van vervoer, en vraag ik: wat is voor eene inrichting van vervoer, ten aanzien van de verplichting om schade te vergoeden, het gemeene recht? Blijkbaar dat, hetgeen aan de artt. Ü1 en 345 van het Wetboek van Koophandel ten gronde ligt.

Het amendement werd met 33 tegen 20 stemmen aangenomen.

19 Juli. Interpellatie van den heer van Wintershoven over de plannen der regeering met het limburgseh bondseontingent.

De heeren Storm van 's Gravesande en van Wintershoven traden in onnoodige bespiegelingen over de gebeurtenissen van 1830 en 1848 terug.

Bij de vredespreliminairen, onlangs geteekend, stelt, volgens de berichten in de openbare bladen, het laatste artikel eene algemeene amnestie vast. Wat beteekent eene algemeene amnestie? Het vergeten van hetgeen gebeurd is, voor zooveel het, met of zonder schuld, aanstoot mocht hebben gegeven. Ik geloof, dat wij ten aanzien van hetgeen in dit land kan zijn gebeurd bij bewegingen, als die van 1830 en 1848, dus 13 of 28 jaren geleden, amnestie, bovenal in eene vergadering als deze, wel mogen betrachten.

Aan de Ilegeering daarentegen heb ik, bij gelegenheid dezer interpellatie, het verzoek te doen, om, hetgeen nu met de Duitsche oorlogstoebereidselen gebeurd is, voor het vervolg in gedachte te houden. Met grooten aandrang en omslag werd over al wat gerekend werd tot den Duitschen Bond te behooren, marschvaardigheid van het contingent gevraagd; maar toen het op het gebruiken aankwam, bleek, dat de eerste voorwaarde om gebruik van een marschvaardig contingent te maken, niet te bereiken was. Wij kennen uit de nieuwsbladen de stukken, door Pruisen te Frankfort ingeleverd, waarin die mogendheid verklaart, dat de militaire organisatie van den Bond niet praktisch, niet uitvoerbaar is. Zoo het stelsel dier organisatie moest worden nageleefd, zou, beweert Pruisen, de inrichting van het Duitsche Bondsleger gelijken op de oude rijksarmee, en wilde men met een zoodanig leger handelen, men zou Duitschland aan den rand van het verderf brengen.

Mij dunkt, dat geeft wel eenige aanleiding, wanneer men niet wenscht meer dan volstrekt noodig is in de Duitsche krijgsaangelegenheden te worden betrokken, om bij dergelijke oproeping, als waaraan wij nu aanstonds hebben voldaan, zich te bedenken en zoo min mogelijk spoed te maken, opdat niet de inspanning, die men gaat doen, te eenen male doel- en vruchteloos zij. Ik deel in den wensch, door het geachte lid uit Maastricht (den heer van Wintershoven)

Sluiten