Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geuit, dat het weldra mogelijk zij, Limburg los te maken uit het Duitsche verbond. Ik durf mij echter niet vleien, dat dit morgen of overmorgen mogelijk zal zijn; maar bij de onderhandelingen, daarover te voeren, is, hetgeen wij zagen gebeuren, wel eene reden, om van de zijde van eenen Staat als de Nederlanden op bevrijding aan te dringen, en zoolang die niet verkregen is eene reden om, bij eene nieuwe oproeping, wel oplettend te zijn en oplettend te maken op de machteloosheid die nu bleek. Wanneer men in beweging brengt, dient men te weten hoe de beweging te leiden. Dat daatoe in Duitschland de middelen vooralsnog ontbreken, dit, dunkt mij, is zoo klaar als de dag. Eene reden dus voor ons Nederlanders, niet om ons te onttrekken aan aangegane verbindtenissen, maar om in de vervulling daarvan niet haastiger dan de minsthaastige te wezen.

Interpellatie van den heer van Hoëvell over het doen samenblijven van de miliciens der lichtingen van 1856 en 1857 (Vergelijk hiervóór blz. 143). De minister van oorlog had te verstaan gegeven, de beide lichtingen nog niet geheel naar huis te zullen zenden. Een gedeelte dacht hij ter verdere oefening onder de wapenen te houden. Daarop had de heer van Hoëvell voorgesteld: „de kamer, van oordeel dat het wenschelijk is in de tegenwoordige omstandigheden de miliciens ten spoedigste huiswaarts te doen keeren enz.

Ik breng hulde aan het staaltje van diplomatische kunst, dat ons de Minister van Buitenlandsche Zaken in zijne rede gaf. Vóór eenige weken was de oproeping noodzakelijk van wege den oorlog, nu is het noodzakelijk de opgeroepenen in dienst te houden, omdat er vrede is, want uit dien vrede kan weder oorlog voortkomen. Ik weet inderdaad niet, hoe men ooit tot ontheffing en een gewonen toestand zal komen, wanneer nu eens wegens den oorlog, dan weder wegens den vrede onze arme miliciens onder de wapenen moeten blijven. Ik meen echter dat in geen geval op grond van de wet, ten gevolge waarvan de oproeping plaats heeft gehad, de miliciens langer in dienst gehouden kunnen worden. De Kamer en de Ministers zullen zich herinneren, met welk een aandrang wij, eerst in de afdeelingen en van wege de Commissie van Rapporteurs, later hier in de Kamer, aan de Regeering in bedenking hebben gegeven een anderen weg te volgen. Het heeft niet mogen baten. Men zeide: er wordt oorlog gevoerd; alle volkeren rondom ons loopen te wapen; wij moeten dat ook doen. Bij die gelegenheid heeft men van de noodzakelijkheid van oefening gewaagd, maar de noodzakelijkheid van oefening was ondergeschikt aan die omstandigheden. Thans hooren wij den Minister van Oorlog zeggen: „de omstandigheden zijn geheel veranderd, maar de oefening is noodig;" en de Minister van Buitenlandsche Zaken zegt: „de omstandigheden zijn niet zoo, dat wapening geheel overbodig kunne worden geacht." Wij dienen

Sluiten