Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch te weten waarom en op welke gronden ? De Regeering verklaart, en ik geloof dat is boven allen twijfel, de omstandigheden, waaronder en waarom de wet van oproeping werd voorgedragen, zijn veranderd; derhalve hetgeen toen voor die omstandigheden gedaan is, moet ophouden. J)e Regeering is en blijft daarna vrij om, zoo dat noodig is, aan de Vertegenwoordiging de middelen te vragen, ten einde te doen hetgeen wij van den beginne af der Regeering hebben aangeraden. Ik moet dus wel, na den loop dien de zaak heeft gehad, voor de motie van orde stemmen.

Ontwerp van wet, houdende bepalingen omtrent het gebruik dek spoorwegen (Vervolg). Artikel 3. In het ontwerp werd voorgesteld: „Ten aanzien van die ondernemers geldt hetgeen bij art. 96 van het wetboek van koophandel is bepaald."

De heer W'intgens wilde het artikel lezen : „Ten aanzien van die ondernemers geldt hetgeen bij het wetboek van koophandel ten aanzien van voerlieden, schippers en ondernemers van openbare rijtuigen en vaartuigen is bepaald.

„De bepaling van art. 93 van het wetboek van koophandel kan echter door de ondernemers niet worden ingeroepen ten opzichte van goederen van passagiers, welke dezen bij het verlaten van den spoortrein hebben aangenomen.

„De verplichtingen tot schadevergoeding kan door geene dienstreglementen worden ingekort."

Ik ben van het gevoelen van den voorgaanden spreker dat de redactie van art. 3, zooals die laatstelijk is voorgesteld door de Regeering, de minst aannemelijke is van alle redactien. Ik meen dat niet juist op den grond, door den geachten spreker uit Amsterdam (den heer (Jodefroi) bijgebracht, maar op dezen grond. Art. 96 zegt: „Onverminderd hetgeen bij bijzondere reglementen mocht zijn voorgeschreven, zijn de bepalingen van deze afdeeling ook toepasselijk op de ondernemers van openbare rijtuigen en vaartuigen." Onverminderd: het artikel is ontleend aan een artikel van den Code Napoléon, art. 1786, hetgeen de bewoording „en outre" gebruikt, en zegt, dat de ondernemers van rijtuigen, behalve de verplichtingen door de wet op hen gelegd „en outre" onderworpen zijn aan bijzondere reglementen, qui font loi entre eux et les autres citoyens. Maar onverminderd, — zooals men riiet altijd gelukkig is geweest in het overbrengen — laat eene andere uitlegging toe, namelijk — en men heeft zich die somtijds, schoon mijns inziens ten onrechte, veroorloofd — dat die bijzondere reglementen in de plaats kunnen treden van de algemeene regelen der wet. Bij zoodanigen uitleg zou men, art. 96 aanhalende, niets hebben gedaan. Ik acht dus die aanhaling vooral van dit artikel alleen, zooals de Minister voorstelt, in geen geval aannemelijk.

Voor het overige wil ik mij tegen het amendement van den geachten spreker uit Delft (den heer Wintgens), dat ik verre boven

Sluiten