Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

min gelukkige keuze van personen af; mnar eenige waarborg kan in de wet worden gebracht: en dit stel ik mij onder anderen voor bij de wijziging, die ik de eer heb ten aanzien van art. 9 te onderwerpen.

Die wijziging strekt vooreerst om de regelen van het toezicht bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te doen bepalen overeenkomstig deze wet, die zelve reeds onderscheidene regelen en beginselen bevat, waaruit de verdere regelen van het toezicht kunnen worden afgeleid.

In de tweede plaats: de vorm van het toezicht. De wet en de praktijk zullen, denk ik, moeten onderscheiden het algemeen en het dagelijksch toezicht. Wat het eerste betreft, vraag ik of het niet doeltreffend zal zijn, een raad van toezicht in te stellen. Men kan niet nu reeds al wat later noodig zal zijn voorzien, maar voor het oogenblik, in den toestand waarin wij ons bevinden, zou ik meenen dat zulk een raad van toezicht niet talrijk zou moeten zijn. Wat mij betreft, ik zou een getal van drie leden voldoende en op dit oogenblik zelfs verkieslijk boven een grooter getal achten. Bij een kleiner getal heeft ieder lid van zoodanig college meer te doen en meer te verantwoorden dan wanneer hij zich achter een grooter aantal kan verschuilen. En wanneer nu die drie personen gekozen worden met opzicht tot de eigenschappen die in zoodanigen raad vertegenwoordigd behooren te zijn, dan schijnt het niet onmogelijk dat drie personen vooralsnog de taak geheel vervullen. Het spreekt van zelf, dat men onder de leden één zal moeten vinden, met de techniek volkomen bekend. Kan er een tweede lid gevonden worden bedreven in de kennis van al die eischen of behoeften van handel en verkeer, waarin de spoorwegdienst . in gemeenschap met de waterwegen, hier te lande moet voorzien, des te beter.

Wat over het algemeen de twee andere leden, buiten den man der techniek, betreft, daarvoor weet ik geen beter kenmerk, dan dat de keuze zou behooren te vallen op de zoodanigen, in zaken van handel, nijverheid en administratie ervaren, als die welke de Regeering terecht zou plaatsen in den Raad van State, om die belangen aldaar te doen vertegenwoordigen.

Het dagelijksch toezicht. Daarvoor zijn ambtenaren noodig, die, dunkt mij, dat toezicht dienen uit te oefenen onder den raad, gelijk die raad gesteld is onder den Minister van Binnenlandsche Zaken, in wien altoos het hoofdtoezicht geconcentreerd blijft. Die ambtenaren moeten onder den raad van toezicht werkzaam zijn, door wien hoofdzakelijk het Gouvernement met de besturen der groote ondernemingen van spoorwegdiensten omgaat.

Hetgeen ik in dit ontwerp zie: „Het toezicht op de spoorwegdiensten wordt uitgeoefend door de personen, daartoe door Ons aan te wijzen, en naar de regelen door Ons te bepalen", evenzeer als hetgeen ik in do volgende artikelen lees, geeft mij het denkbeeld alsof de Regeering

Sluiten