Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beraadslaging over het vierde hoofdstuk (Van het beschikken over de spoorwegen in het belang van 's Rijks dienst) in het algemeen. Tegen de afdeeling werd door den heer Godefroi bedenking gemaakt. Dergelijke bezwarende bepalingen als hierin waren vervat mochten niet bij de wet worden opgelegd. Wie zou onder zoo algemeeue , ongunstige conditiën nog eene concessie verlangen ? Alleen bij contract tusschen de regeering en de concessionarissen mochten zoodanige lasten worden opgelegd.

Ik wil met den vorigen spreker niet twisten over zijn verlangen om een spoorwegdienst gelijk te stellen met iedere andere onderneming van partikuliere nijverheid. Ik zal enkel herinneren, dat wij hier geen nieuw recht ontmoeten, maar dat de publieke vervoermiddelen over het algemeen aan dergelijke lasten, als volgens deze artikelen op een spoorwegdienst zullen worden gelegd, volgens onze verordeningen zooals volgens die van andere landen, onderhevig zijn. Hetzelfde beginsel, waaruit deze bepalingen zijn gevloeid, vindt men bijv. in het reglement van algemeen bestuur van 1829 op de vervoermiddelen te lande.

Hetgeen ik tegen den geachten spreker wil aanvoeren betreft de reden, die, dunkt mij, ook in zijn stelsel het opnemen van deze bepalingen in de wet aanraadt. De geachte spreker zegt: „Aan zulke voorwaarden kan de concessionaris zich onderwerpen, maar dat is het onderwerp van een vrijwillig debat tusschen hem en den concessiegever." Welnu, wat is het gevolg van de opneming van zulke artikelen in de wet? Dat, hetgeen ieder moet wenschen, gelijkheid verzekerd en gunst belet worde. Wanneer deze artikelen in de wet voorkomen, dan zullen aan allen, die eene concessie verkrijgen, gelijke voorwaarden of verplichtingen worden opgelegd; en zoo behoort het.

Eene reden, dunkt mij, die, daargelaten alle andere redenen, welke in mijn stelsel van beschouwing liggen, zelfs den geachten spreker moet bewegen om bepalingen als deze goed te keuren.

22 Juli. Artikel 42. Naasting.

De Regeering stelt in art. 42 voor, dat elke spoorweg van rijkswege kunne worden genaast. Zij voegt er bij: „Dit geschiedt op de wijze en onder de voorwaarden, bij de vergunning voor den daarover loopenden dienst bepaald."

De vraag is in de eerste plaats, zal de bevoegdheid tot naasting in de wet worden opgenomen? Zoo dat geschiedt, dan moeten ook, dunkt mij, de voorwaarden, waarop de naasting zal geschieden, in de wet worden bepaald. Wanneer de wet bevoegdheid tot naasting aanneemt, dan geschiedt dat enkel in het publiek belang; het is eene bepaling van publieke orde. Bij gevolg kunnen de voorwaarden der naasting geen onderwerp van debat of overeenkomst tusschen de

Sluiten