Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik vind vermeld, dat men, na vertrokken te zijn, eerst te Bonthain zich opgehouden heeft, vervolgens andermaal, eene week nagenoeg, onder de vijandelijke kust bij Signy, en dan nog eens acht dagen te Badjoa, zoodat bij eene expeditie, die reeds een jaar lang was voorbereid, de vijand, op iedere wijze gewaarschuwd, alle maatregelen van tegenweer, zooals men scheen te mogen onderstellen , kon nemen, of, zooals de uitkomst heeft doen zien, slagen in de veel geduchter taktiek om alles te vervoeren en zich zeiven met de vlucht te redden.

Ten andere, dat er een zeer groot gebrek is geweest in de verzorging der gezonde manschappen. Men schijnt er op gerekend te hebben dat men daar alles wat met behoefde, zou vinden, levensmiddelen, versch vleesch, versche groente, en men vond, daar de vijand tijd had gehad om alles te vernietigen of mede te nemen, niets hoegenaamd. In de eventueele verpleging van zieken was beter voorzien. Voor hen had men goede provisiën medegenomen; maar ziekte is dan ook de verschrikkelijkste vijand geweest, en die ons ten onder heeft gebracht, juist ten gevolge van het verwaarloozen van verpleging voor de gezonde manschappen. Toen op den 2den April, geloof ik, het fort in dienst werd gesteld, waren er van 3000 man, waarvan mijn bericht spreekt, nauwelijks 500 in staat om de wapenen te dragen.

En nu het beleid in het algemeen. Wat heeft men uitgericht? Heeft men de gelegenheid van het land, waar men oorlog ging maken, gekend ? Men had mineurs en sapeurs medegevoerd, zoo het schijnt, om vestingen te belegeren en trof niets aan dan verlatene woningen, die men in brand stak.

Ik verhaal hetgeen ik gelezen heb in berichten, die ik, totdat ze tegengesproken worden, durf vertrouwen, in de meest gematigde bewoordingen, maar ik wil wel zeggen, dat de indruk welken die berichten op mij gemaakt hebben, deze was: dat onze krijgmacht is mishandeld', onze krijgsmacht, die in een goed beleid evenzeer bescherming moet vinden, als zij onze bezittingen behoort te beschermen.

Wanneer hetgeen volgens mijne berichten op Celebes is gebeurd, in eene Engelsche bezitting ware voorgevallen, een groot aantal stemmen zou zijn opgegaan om eene parlementaire enquête te vragen. Wij zijn daartoe niet bij machte, maar hetgeen ik wensch te doen, Mijnheer de Voorzitter, is den Minister ernstig te verzoeken — en ik ben overtuigd dat het niet vruchteloos zal zijn — dat hij in dit opzicht ons vervange, dat hij eene zeer nauwkeurige enquête instelle of doe instellen en ons de gelegenheid geve om van hare uitkomsten kennis te dragen. Ik behoef den Minister niet te zeggen, hoe noodig, bij zulke voorvallen, eene opzettelijke enquête voor iedere officieele macht kan zijn daar de gewone berichten toch, welke de Minister ontvangt, zeer dikwijls óf de waarheid niet behelzen óf althans de geheele waarheid niet openbaren. En het geldt hier inderdaad een onderwerp

12*

Sluiten