Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten nu niet, dunkt mij, incidenteel op eene vraag terugkomen, die toen, na velerlei overwegingen van de zijde der Regeering en der Kamer te hebben uitgelokt, in een tegenovergestelden zin werd afgedaan.

'27 Juli. Verzoekschrift.

Kan een besluit der kamer den minister verplichten, regeeringsstukken uit te leveren aan dengeen, die dit vraagt ?

Mijnheer de Voorzitter, tot zekere grens ben ik van het gevoelen van den Minister. Ik geloof, dat de Kamer hare bevoegdheid zou te buiten gaan, indien zij als regel stelde, dat haar besluit een Minister kon verplichten om regeeringsstukken uit te leveren aan dengeen die het vraagt. De regeering moet daarover controle behouden, en in ieder bijzonder geval vrij zijn om te beslissen of zekere stukken kunnen medegedeeld worden.

Doch in welk geval bevinden wij ons nu ? Een voormalig ambtenaar, die meent verkeerdelijk beoordeeld of beschuldigd te zijn, vraagt, om zich te kunnen rechtvaardigen, inzage of mededeeling van rapporten, die hij zelf vroeger aan het Indisch Bestuur heeft ingediend. Nu, geloof ik, staat het aan de Kamer vrij te verklaren dat, zoo er niet bijzondere redenen van weigering bestaan, weigering onbillijk zou zijn. Wanneer wij zoodanige verklaring doen, dan blijft aan de Regeering haar vol recht voorbehouden. De Regeering kan redenen hebben om te weigeren, en wel redenen, die zij niet geroepen is hier mede te deelen; maar dat ontneemt niets aan de juistheid van de verklaring, dat, wanneer er geene zoodanige redenen bestaan, het onredelijk, ja onrechtvaardig is, aan iemand in een dergelijken toestand inzage of mededeeling te onthouden van stukken die hij vraagt tot een gebruik, dat hij aanwijst, met het doel om zich te rechtvaardigen.

Wanneer ik dat zeg, dan geloof ik wel te mogen aannemen, dat de Minister van Koloniën èn ten aanzien van het beginsel in het algemeen èn ten aanzien van de toepassing in de tegenwoordige zaak geheel en al van mijn gevoelen zal zijn. Zoo ik mij in de plaats stel van hem, die eene vraag doet, als die waarover wij handelen, ik zou alle wettelijke of geoorloofde middelen aangrijpen om mij hetgeen ik tot handhaving der waarheid behoefde, te verschaffen; ik zou het als een uiterst despotisme, als het grootste onrecht beschouwen, indien men mij stukken, daartoe vereischt, nog wel van mij zei ven voortgekomen, wilde ontzeggen; en ik zou niet ophouden mijn recht te vervolgen, zoolang niet alle wegen waren gesloten.

Ik geef deze vraag van rechtvaardigheid den Minister en der Kamer in bedenking. Wat den Minister betreft, ik herhaal hetgeen ik zeide: ik ben volkomen overtuigd, dat hij van mijn gevoelen is

Sluiten