Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men in Piemont gebezigd heeft, — waaronder middelen kunnen zijn, die wij hier te lande noch willen noch kunnen gebruiken.

Wat de Duitsche Staten betreft, maak ik tweeërlei opmerking vooraf. Vooreerst, dat die, voornamelijk de kleinere Staten, de een gedurig door den ander, gedrongen werden om met den meesten spoed voort te gaan.

In de tweede plaats, dat de aangelegde spoorwegen in den regel een of twee jaren, alvorens de bouw begon, waren voorbereid. De jaren, die ik noemen zal, zijn telkens die, waarin de bouw begonnen is.

Ik bepaal mij tot een zeer beknopt overzicht.

Hannover. Hannover behoort onder de meest ijverige onder de spoorwegbouwende Staten van Duitschland. Hannover heeft van 1842 tot 1847 385 kilometers gelegd, in bet jaar dus 77; van 1851 tot 1856 — ik neem telkens een tijdvak van vijf jaren — 318 kilometers, dat is 63 in het jaar. In Hannover had men doorgaans niet met bijzondere moeilijkheden van terrein te strijden.

Beieren. De lijn, die Beieren van het noorden naar het zuiden, van de Saksische tot aan de Zwitsersche grens, doorsnijdt, is voltooid in drie gedeelten, van 1841 tot 1853; zij is 563 kilometers lang; men stelde dus jaarlijks, het eene jaar door het ander, 47 kilometers in dienst.

Saksen, tegenwoordig een van de rijkste landen in spoorwegen, heeft in de eerste zes jaren, van 1836 tot 1842, 115 kilometers, of 19 a 20 in het jaar; in de volgende tien jaren 437 kilometers, dat is jaarlijks 43 a 44, tot stand gebracht.

In Wurtemberg vinde ik in zeven jaar, van 1844 tot 1850, 285 Nederlandsche mijlen voltooid; dus 40 k 41 jaarlijks.

Baden bracht het in de eerste vijf jaren, 1838 tot 1843, van Mannheim tot Carlsruhe, 58 kilometers; de lijn, van daar tot de grenzen van Zwitserland voortgezet, was vijf jaren later, in 1848, tot 71/2 kilometer voor Bazel genaderd. Eene lengte van 215 kilometers, dat is 43 telken jare.

Over Pruisen, hoe leerrijk ook zijne spoorweggeschiedenis zij, spreek ik niet, daar de vergelijking tusschen een land als de Pruisische monarchie en het onze aan velerlei bedenking onderhevig is.

Maar Belgie, dat ik reeds noemde, mag wel worden aangehaald. Wat is daar geschied? Is de Belgische regeering met het voorstel van een net begonnen? In het minst niet. Zij heelt in 1833 niets anders voorgesteld dan eene lijn voor den zoogenaamden transitohandel. De uitnemende verdediger van dat bedrijf (de heer Hoynck) gelieve niet te gelooven, dat ik van een „zoogenaamden" transitohandel uit minachting spreek; hij weet, dat de staatshuishoudkundigen dien niet voor handel laten doorgaan. Voor het transito dan stelde het Belgische gouvernement eene lijn voor op staatskosten te leggen, van Antwerpen naar de Pruisische grens, met een zijtak van Mechelen naar Brussel.

Sluiten