Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval bestaat er dus tusschen ons ontwerp en dat der Regeering een verschil van 100, en in het andere geval een verschil van meer dan 200 mijlen. Doch de vereenvoudiging, die wij willen, is geenszins alleen in de mindere lengte te zoeken. Volgens ons plan vervallen 6 bruggen, waarvoor 3 in de plaats zullen komen; ook een punt, voor de exploitatie van zeer groot belang. Want dat het onderhoud van spoorbruggen, vooral in de eerste jaren, uitnemend kostbaar is, heeft de ondervinding, geloof ik, bewezen.

Ook dit nog. Bij het aanleggen van spoorwegen tracht men overal, zooveel men kan, het getal der keerpunten of centrums te verminderen. Eene vermindering van groot gewicht voor de exploitatie en hare opbrengst. Welnu, welke zullen volgens ons plan de centrums zijn? In het Noorden twee: Leeuwarden en Raalte of Deventer; in het Zuiden vier: Boxtel, Rozendaal, Venlo of Roermond en Meerssen. Te zamen zes. Maar in het voorstel der Regeering vinde ik 13 keerpunten. Keerpunten noem ik die punten, waarop van eene lijn wordt aangekomen om aan eene andere richting aan te sluiten. Om controle mogelijk te maken, zal ik de plaatsen opnoemen; Groningen, Zwolle, Zutfen, Arnhem, Nijmegen, Venlo, Roermond, Maastricht, Moerdijk, Breda, Rozendaal, 's Bosch, behalve de twee reeds aanwezige, Utrecht en Rotterdam. Hierdoor inzonderheid wordt het plan der Regeering gekenmerkt als net, in tegenoverstelling éêner lijn, zooals wij verlangen. Hetgeen de Regeering over het land trekt is een net — een net, ik erken het, met een groot gat in het midden.

Ik zeide, Mijnheer de Voorzitter, dat ik reden meende te hebben om te rekenen op welwillende overweging van de zijde der Regeering. Ik reken met betrekking tot de gronden die ik in de laatste plaats behandelde, ontleend aan de noodzakelijkheid om de kosten van aanleg en van exploitatie, waarin onze rijksmiddelen zoo nauw betrokken zijn, te beperken, op welwillende overweging van de Regeering in het algemeen, maar ook in het bijzonder en vooral op die van den Minister van Financien. Geene polemiek. Ik vraag dus niet: wat zou die Minister gedaan hebben, indien een ander Kabinet een plan als dit had voorgesteld. Ik houde mij aan hetgeen wij nu van den Minister van Financien hebben vernomen. Ik lees in zijne rede van verleden Maandag: „Kuntgij het plan verminderen, Mijne Heeren? Ik verklaar gaarne, dat geen enkel lid der Kamer zich over die vermindering zoo zeer zal verheugen als de Minister van Financien het zal doen. Hoe meer gij er kunt aftrekken, hoe aangenamer het mij zal zijn."

Welnu, wij bieden den Minister de hand; hij kan die niet afwijzen.

De voorzitter maakte bezwaar dit voorstel dat, naar hij meende, het regeeringsvoorstel geheel ter zijde stelde, als amendement toe te laten.

Ik treed niet in de vraag, die hier gesteld is. Ik laat, zonder

Sluiten