Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister, op wien ik mij beroep, moet overtuigd zijn, dat het zwijgen, het niet-spreken over iets, waarop anders aanmerking zou worden gen^aakt, geen middel is van herstel.

Hoe stelt die Minister zich den indruk van parlementaire kritiek op de Javaansche bevolking voor? Ik verbeelde mij de Javanen het Bijblad, waarin ook onze verslagen zijn opgenomen, met aandacht lezende. Gelooft de Minister dat zij een beteren indruk zullen ontvangen, wanneer zij interpellatie, klacht, verwijt en geen antwoord of een knorrig, afwijzend antwoord vinden, dan wanneer zij een afdoend, oplossend, wederleggend antwoord ontmoeten, dat de kritiek tot zwijgen brengt.

De Minister op wien ik mij beroep, moet overtuigd zijn dat zedelijke overmacht, gepaard met de macht om te gebieden, alle kritiek gerust afwacht en trotseert. De Minister kent volkomen de geschiedenis van den samenhang van het Engelsch Parlement met Britsch Indie; hij weet dat de groote maatregelen, de groote, de weldadige hervormingen in het koloniebestuur van het Parlement zijn voortgekomen; hij weet aan welke, dikwijls onbillijke, aanvallen het bestuur van Engelsch Oost-Indie in het Parlement blootgesteld is geweest. En heeft ooit een Engelsch Minister durven waarschuwen of met gevolg gewaarschuwd tegen dat gebruik der parlementaire vrijheid, als kon daaruit gevaar voor de Oost-Indische bezittingen ontstaan? En de toestand staat volstrekt niet gelijk; want de handelingen van het Engelsche Parlement vinden oneindig meer weerklank in OostIndie, dan hetgeen hier gebeurt op Java vinden kan.

De Minister op wien ik mij beroep, Mijnheer de Voorzitter, is overtuigd, hij moet overtuigd zijn, dat het uitsluiten, het verbieden van parlementaire kritiek onmogelijk is, maar dat ze kan en moet worden geleid. De Minister, Mijnheer de Voorzitter, moet uit zijne eigene ondervinding overtuigd zijn, dat het niet is de kritiek of het verwijt, maar de zwakte der verdediging, die verzwakt.

Wanneer ik mij beroep op den Minister, om staande te houden dat hij zelf bovenal moet wenschen rekenschap, licht en oplossing te geven, dan ontken ik niet, dat ééne beperking van die verplichting zou kunnen worden aangenomen. Ik spreek niet van de tweede alinea van art. 89 der Grondwet, schoon de Minister in de voorgelezen zinsnede, zooals in zijne Memorie van Beantwoording over het algemeen, het gansche Oost-Indische bestuur achter die alinea schijnt te willen plaatsen. Ik bedoel eene andere beperking, te zoeken in de bijzondere betrekking van den Minister van Koloniën tot den Gouverneur-Generaal.

Men kan zeggen: de Gouverneur-Generaal is geen onverantwoordelijk bureau-ambtenaar; niet gelijk te stellen met een Commissaris des Konings in eene provincie, noch met een gezant in den vreemde; hij is niet louter agent van het Ministerie van Koloniën; de eerste

Sluiten