Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwerpen vatbaar zijn in wetboeken voor de koloniën te worden geregeld, en de algemeene grondslagen van het belastingstelsel, van de in- en uitgaande rechten en van de munt."

Daarbij kwam in een ander artikel, art. 112: „De begrootingen van alle uitgaven, zoowel als van alle inkomsten des Rijks, hetzij in Europa, hetzij in de overzeesche bezittingen, die der laatste voor zooveel zij hier te lande kunnen worden geregeld, worden vastgesteld bij de wet."

Later scheen ook dit nog te veel, en bij de eindresumtie behield men als onderwerpen van wetgeving, behalve de regeeringsreglementen, die het oude Ministerie zich reeds in de onvoldoende herzieningsontwerpen van Maart bereid had verklaard door de wet te laten vaststellen, enkel de rechterlijke inrichting, het burgelijk en het strafrecht. De belastingen, de munt, de begrootingen wenschte men niet te noemen.

Bij dat groot verschil van meening in de Commissie van 184S zocht men eene uitkomst in de bijvoeging van twee alinea's, waarvan ons de Minister gisteren de laatste voorlas.

„De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer der koloniën en van den staat, waarin dezelfde zich bevinden." En, de alinea waarop de Minister gisteren drukte:

„De Minister van Koloniën is verplicht alle openingen en verantwoording te geven, welke door de Staten-Generaal ten opzichte van de koloniën zullen worden verlangd, ten einde, naar de behoefte, zoodanige wettelijke verordeningen kunnen worden vastgesteld, als doelmatig zullen worden bevonden."

Ik heb in de Commissie de meening voorgestaan, die ik in de eerste plaats vermeldde. Ik was tegen bij voeging der zooeven genoemde alinea's: vooral de laatste scheen mij aan de eene zijde onnoodig, aan de andere zijde te ver te gaan. Onnoodig; omdat in de Grondwet, zooals zij zou worden voorgedragen, het recht om van de Ministers inlichtingen te verlangen, reeds was vervat. Wanneer dat als algemeen beginsel was voorgeschreven, gold het ten opzichte van de koloniën evenzeer. Te ver te gaan; omdat de Minister verplicht werd „alle verlangde openingen en verantwoording te geven." De Minister kon zich dus niet dekken door het voorbehoud, in het 2de lid van art 89 der Grondwet opgenomen.

Het verschil van meening bleef zóó sterk, dat de voorzitter der Commissie, belast met het opstellen van het aan den Koning in te dienen ontwerp, een van de andere leden der Commissie verzocht de redactie van die twee alinea's op zich te nemen. En zoo is dan ook, gelijk iedereen zien kan, het opstel dier alinea's van eene andere hand dan dat van het ontwerp van hervormde Grondwet over het algemeen.

Sluiten