Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bevoegdheden van de beambten te regelen.'' Eene bevestiging dus van hetgeen wij meer dan eens van den Minister hoorden; de regeling van de bevoegdheden, dat is hetgeen waarop de Minister blijft stuiten en wat toch juist door de voorstanders van het amendement van het vorige jaar met aandrang werd gevorderd; dat is de grondslag, waarop ook nu wederom dit amendement rust.

Eene behoorlijke regeling van de bevoegdheden der politie oordeelde de minister zeer moeilijk.

Niet om den Minister tegen te spreken, maar om juist te worden verstaan. Tot behoorlijke regeling van de bevoegdheden der politie, zou men, zegt de Minister, een geheel corpus juris moeten uitvaardigen. Ik heb geen omslachtig corpus juris verlangd. Zoo een omslachtig corpus juris volstrekt noodig is om die bevoegdheid behoorlijk te regelen, ik zou er niet tegen opzien; maar er bestaan, geloof ik, voorbeelden van vreemde wetgevingen , waarbij , zonder omslachtige corpora juris, de grondslagen van de bevoegdheid der politie tamelijk volledig zijn gelegd.

De Minister is opgekomen tegen hetgeen sommige leden een prikkel, aan den Minister te geven, hebben genoemd. Ik behoor niet onder de leden, die het plicht achten, den Minister een prikkel te geven. Zoowel gisteren als heden is mij de geschiedenis weder voor den geest gekomen van den voorzichtigen kapitein, waarvan dezer dagen sprake was, die bij storm een gedeelte der lading over boord werpt. Ik behoor niet tot hen, die zulk eene stormende kracht op eenigen Minister verlangen uit te oefenen. Ik wensch niet, dat een Minister, na behoorlijk onderzoek zijne overtuiging gevestigd hebbende, die hetzij gedeeltelijk hetzij geheel over boord werpe. Ik verlang dat in geene deele; en geloof ook, Mijnheer de President, dat wij aan een voorstel van wet, hetgeen uit eene dergelijke verzaking, uit zoodanigen afval van zich zeiven voortkwam, niet veel zouden hebben.

1 December. Artikel 47. Wachtgelden. Er was een wachtgeld uitgetrokken voor een in 18">7 eervol ontslagen secretaris-generaal van het departement. De heer van Asch van Wijck was van oordeel, dat er geene redenen waren, dezen ontslagen ambtenaar een wachtgeld toe te kennen.

Ik hel over om tot het verleenen van het aangevraagde wachtgeld mede te werken; maar zoo als de zaak zich tot dusverre voordoet, acht ik mij in gemoede verplicht te stemmen vóór het amendement. De grond is deze.

De Minister heeft ons zooeven, gelijk voorheen, teruggevoerd tot het eerste stadium van de zaak, het stadium waarin die gewezen ambtenaar werd ontslagen, en hem bij Koninklijk besluit een wachtgeld werd toegekend. Doch daarop is eene tweede stadium gevolgd, waarin de vraag, of een wachtgeld kon worden toegekend, aan den

Sluiten