Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met twee nieuwe afdeelingen, Comptabiliteit en Adel, op de eerstvolgende begrootingen, voor 1852 en 1853 nog daalde tot f154,000, dan eerst zal de vergelijking met het tegenwoordig cijfer van f 159,000, met twee afdeelingen, welke Justitie overnam, minder, in een juist licht komen.

In die f 159,000 zijn niet begrepen f8000, thans, als buitengewoon, zegt de Minister, voor het beheer over de gestichten te Ommerschans en Veenhuizen uitgetrokken. Tot dusver is mij die uitgave onverklaarbaar; ik zal de toelichting daarvan gaarne vernemen.

IV. In de laatste plaats heb ik tweeërlei verzoek te doen.

Ik ben niet onder hen die in het algemeen op het indienen van wetten dringen; maar ik vinde mij daartoe evenwel verplicht met betrekking tot eene wet, die ik reeds met aandrang sedert een paar jaren vraag; namelijk eene wet op het verleenen van concessien. Ik kan de wijze van verleening van de laatste concessien niet sterk genoeg afkeuren. Ik wensch, dat dit Gouvernement en ieder volgend Gouvernement door wettelijke regelen tegen zoodanige afkeuring worde behoed.

Ten andere verzoek ik, dat de .Minister ons eindelijk gelieve in te lichten niet alleen, maar eene uitkomst te schenken in eene zaak, die sedert jaren hangt op eene wijze, die mij onbegrijpelijk is. De eerste enquête, welke deze Kamer heeft ingesteld en ten einde gebracht, betrof de aangelegenheid van het Zwolsche Diep. In een zwak oogenblik heeft de Kamer de stukken dier enquête, in stede daarop een besluit te nemen, verzonden naar den Minister om inlichtingen, eenige jaren geleden. Sedert dien tijd is de Minister meermalen door verzoekschriften, door conclusien van rapporten over verzoekschriften, indachtig gemaakt op die aangelegenheid, en evenwel blijven wij zonder inlichting en blijft, wat het ergste is, de zaak, zooveel ik weet, ongeregeld. Dat kan niet; het geldt een publiek belang dat meer dan eenig ander tot klaarheid is gebracht; en dat, al ware het alleen uit erkenning van hetgeen de Kamer heeft verricht, aanspraak heeft op eene spoedige en geheele voldoening.

Naar aanleiding van eene opmerking van den minister, dat het moeilijk aanging, twee concessien tegelijk te verleenen. Misschien, zeide hij, kwam dan hel werk door wederzijdsche tegenwerking in het geheel niet tot stand.

Eene opmerking aan den Minister over het onderwerp, dat op dit oogenblik uitsluitend aan de orde schijnt. De Minister zegt: het Gouvernement dient toch te berekenen of twee concessien nagenoeg voor denzelfden weg, althans voor een weg in dezelfde richting, niet ten gevolge zouden kunnen hebben, dat geen van beide wierd uitgevoerd. Mij dunkt, in dat bezwaar wordt voorzien, wanneer het Gouvernement in beide concessien eene bepaling inlascht, dat, zoo niet met dc werkzaamheden een aanvang is gemaakt binnen een bepaalden tijd,

Sluiten