Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kr is een ander punt, dat ik den Minister wel in bedenking zou willen geven. De geaehte spreker heeft eene menigte aanschrijvingen aangehaald; zij zijn mij niet bekend; evenmin als liet werkje dat de geachte spreker meermalen noemde, van dr. van der Kloes. Evenwel is het mij, bij die aanhalingen, voorgekomen, dat op die wijze wel eens andermaal eene soort van bestuur door onderhandsche missives kon ontstaan, hetgeen aan de uitvoering van onderscheidene onzer wetten en met name ook aan die van onze vorige wet tot regeling van het onderwijs grootendeels heeft geschaad. Is het niet beter dat zoodanige aanschrijvingen, voortkomende van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken of van autoriteiten, onder dat Ministerie geplaatst, met betrekking tot wezenlijke punten van uitvoering van de wet, in de Stantscovrant worden geplaatst? Ik geloof dat dergelijke openbaarheid des te nuttiger is op een gebied, waar het somtijds onmogelijk wordt buiten aanraking met kerkelijke gevoeligheid te blijven. Met hoe meer openheid men dan te werk gaat, des te sterker zal men kunnen zijn tegen de kritiek.

Dit brengt mij tot eene andere vraag, die ik den Minister wil voorleggen. Volgens de wet worden jaarlijks vergaderingen gehouden , onder de leiding van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van een algemeenen raad van onderwijs, samengesteld uit de inspecteurs. Is het niet raadzaam dat de overwegingen van dien raad openbaar worden? Met genoegen zie ik de publiciteit, die gegeven wordt aan hetgeen men verhandelt in de samenkomsten der Akademie van Wetenschappen en der Commissie voor de Statistiek. Het is, geloof ik van niet minder, ik zou haast zeggen van veel grooter belang, met raadplegingen bekend te worden, aan de werking eener gewichtige wet zóó nauw verbonden.

Ik heb nog enkele andere punten aan te roeren.

I. Over het algemeen, ik mag dat niet ontkennen, heeft de voordracht van deze begrooting ten aanzien van het onderwijs, evenals ten aanzien van de publieke werken, op mij den indruk gemaakt, dat de Minister niet altijd weerstand heeft geboden, daar waar het wellicht raadzaam ware geweest, aan allerlei persoonlijken en lokalen aandrang. Dat pas ik in de eerste plaats toe op de kweekscholen voor het lager onderwijs. De Minister stelt drie kweekscholen voor. De wet zegt: „ten minste twee." Een vroeger ontwerp der wet sprak slechts van ééne inrichting van dien aard. Ik behoef niet te zeggen, wat aanleiding heeft gegeven om in een later ontwerp twee te noemen. Maar nu wil men eene derde daarbij voegen. Een gemeentebestuur heeft, volgens de Memorie van Antwoord, daarvoor een erf aangeboden. Dit is wel in overeenstemming met een verlangen, dat ons, reeds gedurende de overwegingen van de onderscheidene ontwerpen tot regeling van het lager onderwijs, vandaar kenbaar was geworden.

Ik doe evenwel de vraag nog eens, met belangstelling en welwil-

15*

Sluiten